ECLI:NL:RBNHO:2020:2400

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
31 maart 2020
Zaaknummer
20_584
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling heffingsambtenaar in proceskosten wegens niet tijdig beslissen WOZ-bezwaar

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen een WOZ-aanslag. Nadat verweerder alsnog een beslissing op bezwaar nam en het bezwaar ongegrond verklaarde, trok eiseres het beroep in. Tegelijk verzocht zij om veroordeling van verweerder in de proceskosten op grond van artikel 8:75a Awb.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding tijdig is ingediend. De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 262,50 voor rechtsbijstand, het griffierecht van € 47,- en de maximale dwangsom van € 1.442.

De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As op 3 april 2020 zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Het vonnis kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 262,50, het griffierecht en de maximale dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 17 december 2019 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 24 maart 2018 gericht tegen de WOZ-aanslag met aanslagbiljetnummer [#]
Verweerder heeft bij brief van 10 februari 2020 alsnog een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft het beroep op 17 februari 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 19 februari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 20 februari 2020 gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiseres is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiseres en dat eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
4. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
5. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5).
6. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrag van € 47,- te worden vergoed door verweerder. Verweerder heeft voorts aangegeven dat eiser recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442 en heeft aangegeven deze te zullen vergoeden.

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de het gerechtshof te Amsterdam.