Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het dagelijks bestuur van Werksaam Westfriesland, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Intrekking uitkering en terugvordering te veel ontvangen uitkering4.1 Eiseres voert aan dat uit haar verklaring noch uit het door verweerder verrichte onderzoek kan worden afgeleid dat zij over de gehele in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht voor [naam 1] B.V. Volgens eiseres heeft verweerder dit ten onrechte afgeleid uit het overzicht dat verweerder heeft ontvangen van [naam 1] . Op dit overzicht is een verkoopnummer vermeld dat volgens eiseres toebehoort aan haar vriendin, mevrouw [naam 2] . Weliswaar is op het overzicht de naam [naam 3] vermeld, maar hieruit kan volgens eiseres niet worden afgeleid dat het op het overzicht vermelde bedrag van € 55.728,10 door haar is gerealiseerd. Volgens eiseres volgt uit de vermelding van de naam [naam 3] immers niet zonder meer dat zij daarmee wordt bedoeld. En als dat wel zo zou zijn, is nog niet duidelijk welk deel van het totale bedrag aan haar kan worden toegerekend. Eiseres stelt nooit enige provisie van [naam 1] te hebben ontvangen. Voorts betoogt eiseres dat het overzicht ziet op de periode 1 januari 2018 tot en met 20 april 2019, terwijl de uitkering is ingetrokken en teruggevorderd vanaf 19 juni 2018. Mogelijk is dat tot 31 mei 2018 € 55.000,00 is ontvangen door [naam 1] B.V. en het resterende bedrag van € 728,10 op een of meer andere momenten. Volgens eiseres heeft verweerder niet alleen op basis van het overzicht tot intrekking en terugvordering kunnen overgaan. 4.2 Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Pw, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. In het rapport is vermeld dat tijdens een huisbezoek bij eiseres in 2018 orderbonnen van [naam 1] zijn aangetroffen waarop het verkoopregistratienummer [nummer] is vermeld. Verweerder heeft [naam 1] gevorderd alle orderbonnen met dit registratienummer over te leggen. Naar aanleiding van deze vordering is door de advocaat van [naam 1] een overzicht van binnengekomen betalingen per order van verkoper met het registratienummer [nummer] overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat in de periode 1 januari 2018 tot en met 20 april 2019 € 55.728,10 aan betalingen zijn ontvangen. Op het overzicht staat mevrouw [naam 2] als verkoper vermeld, zodat aannemelijk is dat [nummer] het verkoopregistratienummer van mevrouw [naam 2] is. Op het overzicht staat echter ook de voornaam van eiseres, [naam 3] . Eiseres heeft tijdens het gehoor verklaard haar vriendin, mevrouw [naam 2] te hebben geholpen bij de verkoop van pannen. Gelet hierop en op de voorgeschiedenis van eiseres, waarbij eerder is geconcludeerd dat zij werkzaamheden heeft verricht voor [naam 1] terwijl zij een bijstandsuitkering ontving, is aannemelijk dat eiseres, in het bijzijn van mevrouw [naam 2] , op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat mogelijk het leeuwendeel van het bedrag in het overzicht zou zijn gerealiseerd voor 31 mei 2018 en slechts een heel klein deel daarna, is onvoldoende om te concluderen dat de werkzaamheden niet gedurende de hele te beoordelen periode zouden zijn verricht.
Beslissing
.De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 maart 2020.