ECLI:NL:RBNHO:2020:11644
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontbinding en huurbetaling na indeplaatsstelling winkelruimte
In deze zaak staat centraal de indeplaatsstellingsovereenkomst waarbij eiser per 1 juli 2019 de huurder werd in plaats van de ex-huurder van een winkelruimte. Gedaagde, de onderhuurder, betwistte aanvankelijk de rechtsverhouding en betaalde de huur over juli tot en met september 2019 aan de ex-huurder. Nadat deze bedragen werden teruggestort, heeft gedaagde de huur alsnog aan eiser voldaan.
Eiser vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur wegens wanbetaling. Gedaagde voerde aan dat zij niet tijdig en adequaat was geïnformeerd over de indeplaatsstelling en dat zij de huur aanvankelijk bevrijdend aan de ex-huurder betaalde. Tevens stelde zij dat eiser de opzeggingsbrief niet had overgelegd.
De kantonrechter oordeelde dat eiser en ex-huurder gedaagde tijdig hadden geïnformeerd over de indeplaatsstelling en dat gedaagde vanaf 1 juli 2019 de huur aan eiser diende te voldoen. De latere betaling aan eiser maakte dat er geen achterstallige huur meer was. De vorderingen tot ontbinding en betaling van huur werden daarom afgewezen. Wel werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat zij pas na dagvaarding betaalde.
Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding en betaling van achterstallige huur worden afgewezen; gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.