Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen
de erve van [X] , wonende te [Z] , eiseres
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de in de matrix vermelde inhoud van de woning niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt zij dat verweerder desgevraagd ter zitting geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het verschil in inhoud van de woning zoals vermeld op het taxatieverslag (1.473 m³) en de matrix (1.900 m³). De enkele, niet onderbouwde stellingen dat het oppervlak van een stolp in het algemeen reeds (20 m x 20 m =) 400 m² bedraagt en dat de woning als geheel is getaxeerd waarbij de inhouden van de woning en de deelobjecten bij elkaar zijn opgeteld, zijn daartoe onvoldoende. Verweerder heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat het oppervlak van de bij de grond behorende woning 2.000 m² bedraagt. Onduidelijk is in hoeverre deze grond, welke dezelfde kadastrale aanduiding heeft als het kampeerterrein, eveneens is meegeteld bij de camping zodat in zoverre sprake zou zijn van een dubbeltelling. Verweerder heeft derhalve, gelet op het hiervoor overwogene, niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.
Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen de waardevaststelling van de woning gegrond is en dat het bestreden besluit en de beschikking, eveneens voor zover het de waardevaststelling van de woning betreft, zullen worden vernietigd respectievelijk gewijzigd.
De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat erom dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen.
Met betrekking tot de ligging van de woning heeft eiseres gesteld dat de woning is gelegen aan de drukke, doorgaande weg, de [N# 1] , als gevolg waarvan sprake is van een slechte ligging. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde luchtfoto’s blijkt dat, anders dan eiser heeft gesteld, de woning direct is gelegen aan een parallelweg. Uit deze foto’s blijkt bovendien dat zich tussen deze parallelweg en de [N# 2] een natuurlijke wal en een bomenrij bevinden, terwijl de afstand tussen de parallelweg en de [N# 2] ongeveer vijftien meter bedraagt. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat verweerder, anders dan eiser, modelmatig taxeert, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de ligging terecht als “matig” gekwalificeerd.
Met betrekking tot het in opdracht van eiser opgestelde rapport overweegt de rechtbank dat niet inzichtelijk is op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de in dit rapport genoemde vergelijkingsobjecten. Bovendien ontbreken de objectkenmerken (kwaliteit, staat van onderhoud, ligging) van deze objecten. Gelet hierop kent de rechtbank aan dit rapport niet de waarde toe die eiser hieraan toekent. Dit betekent dat eiseres de door haar bepleite waarde van maximaal € 295.000 evenmin aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder in het kader van de waardevaststelling voor de camping is uitgegaan van een oppervlakte van 10.750 m². Vast staat echter dat op grond van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Landelijk Gebied Zuid” het voeren van recreatieve activiteiten als nevenactiviteiten is toegestaan tot een oppervlakte van slechts 4.500 m². Gelet hierop zal de rechtbank derhalve, anders dan verweerder, bij de beantwoording van de vraag of de waarde niet te hoog is vastgesteld, uitgaan van een oppervlakte van de camping van slechts 4.500 m². Immers, deze omstandigheid is voor de meest biedende gegadigde een prijsbepalende omstandigheid. De stelling van verweerder dat tegen het recreatieve gebruik, voor zover dat gebruik ziet op het resterende oppervlak van de camping, niet handhavend wordt opgetreden, doet hieraan, gelet op de hiermee samenhangende onzekerheid, niet af. Dit betekent dat verweerder ook voor zover het betreft de waarde van de camping, niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.
Voor de camping stelt de rechtbank deze gelet op voornoemde Richtlijn op € 164,56 (2 uur, (geen inpandige opname) à € 68 per uur, vermeerderd met 21% BTW).
Ten slotte dient verweerder de kosten te vergoeden van de aanwezigheid van de taxateur ter zitting. Deze kosten stelt de rechtbank eveneens met inachtneming van de Richtlijn vast op € 73,21 (½ uur à € 53 per uur, vermeerderd met 21% BTW met betrekking tot het taxatierapport inzake de woning en ½ uur à € 68 met betrekking tot het taxatierapport inzake de camping).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- wijzigt de beschikking aldus dat:
- vermindert de aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.938,03; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.
R. van der Vecht, griffier, op 10 december 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.