De man en de moeder hebben afzonderlijk verzocht om ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van hun minderjarige kind. De man baseert zijn verzoek op de stelling dat hij niet de biologische vader is, terwijl de moeder een zelfstandig verzoek indient met soortgelijke strekking.
De rechtbank stelt vast dat zowel de man als de moeder de in artikel 1:200, vijfde lid BW gestelde termijnen voor het indienen van een ontkenningsverzoek ruimschoots hebben overschreden. De man heeft geen concreet bewijsaanbod gedaan, ondanks verwijzing naar medische onderzoeken uit het huwelijk. De moeder heeft evenmin bewijsstukken overgelegd of een bewijsaanbod gedaan.
De bijzondere curator, die het kind vertegenwoordigt, is wel ontvankelijk, maar heeft haar verzoek ook niet onderbouwd met bewijsstukken of een bewijsaanbod gedaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het gelasten van een DNA-onderzoek.
Het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de man wordt niet inhoudelijk behandeld omdat de hoofdverzoeken niet ontvankelijk zijn verklaard.
De rechtbank wijst alle verzoeken af en verklaart de man en moeder niet ontvankelijk in hun verzoeken tot ontkenning vaderschap, en wijst het verzoek van de bijzondere curator en het verzoek tot beëindiging van het gezag af.