ECLI:NL:RBNHO:2019:8805
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling zonder vaststelling ouderschap
De moeder verzocht de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen tussen haar minderjarige kind en de vermeende vader, op grond van artikel 1:377a BW. De moeder stelt dat de man de biologische vader is, maar het vaderschap is niet erkend en wordt betwist. De moeder wenst zekerheid over het contact en wil dat omgang niet afhankelijk is van de wil van de vader.
De Raad voor de Kinderbescherming erkent het belang van contact tussen kind en ouders, maar wijst op het risico van teleurstelling als omgang niet wordt nagekomen. De rechtbank overweegt dat het recht op omgang geldt voor juridische ouders en dat de verwekker die in nauwe persoonlijke betrekking staat een recht op omgang kan afdwingen, maar niet tot omgang verplicht kan worden.
Omdat het juridisch ouderschap van de vermeende vader niet is vastgesteld en het verzoek zich niet richt op deze vaststelling, verklaart de rechtbank de moeder niet ontvankelijk. De beschikking is uitgesproken door rechter F.C. Bakker op 23 oktober 2019.
Uitkomst: De moeder wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling omdat het juridisch ouderschap niet is vastgesteld.