ECLI:NL:RBNHO:2019:8805

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
C/15/287267 / FA RK 19-2066
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling zonder vaststelling ouderschap

De moeder verzocht de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen tussen haar minderjarige kind en de vermeende vader, op grond van artikel 1:377a BW. De moeder stelt dat de man de biologische vader is, maar het vaderschap is niet erkend en wordt betwist. De moeder wenst zekerheid over het contact en wil dat omgang niet afhankelijk is van de wil van de vader.

De Raad voor de Kinderbescherming erkent het belang van contact tussen kind en ouders, maar wijst op het risico van teleurstelling als omgang niet wordt nagekomen. De rechtbank overweegt dat het recht op omgang geldt voor juridische ouders en dat de verwekker die in nauwe persoonlijke betrekking staat een recht op omgang kan afdwingen, maar niet tot omgang verplicht kan worden.

Omdat het juridisch ouderschap van de vermeende vader niet is vastgesteld en het verzoek zich niet richt op deze vaststelling, verklaart de rechtbank de moeder niet ontvankelijk. De beschikking is uitgesproken door rechter F.C. Bakker op 23 oktober 2019.

Uitkomst: De moeder wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling omdat het juridisch ouderschap niet is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
omgang
zaak-/rekestnr.: C/15/287267 / FA RK 19-2066
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 oktober 2019
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R. Kandhai, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
tegen
[naam],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [naam] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 9 april 2019;
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 september 2019 in aanwezigheid van de moeder bijgestaan door mr. R. Kandhai.
Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
[naam] , hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben tot medio 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad, maar hebben nooit samengewoond.
2.2.
Het verzoek heeft betrekking op de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .
2.3.
De moeder heeft gesteld dat [naam] de vader is van [minderjarige] , maar [naam] heeft [minderjarige] niet erkend. De moeder heeft ook aangegeven dat bij haar weten het vaderschap door [naam] wordt betwist.
2.4.
De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige] .

3.Het verzoek

De moeder heeft verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] en [naam] eenmaal per maand omgang met elkaar hebben, welke regeling na een opbouwperiode geleidelijk uitgebreid zal worden naar eenmaal per twee weken.
Haar verzoek heeft de moeder gegrond op artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De moeder twijfelt niet aan het biologisch vaderschap van [naam] . Hij is volgens – de onbestreden – stelling van de moeder tot [minderjarige] drie jaar oud was actief betrokken geweest bij zijn opvoeding en verzorging. Na 2015 heeft hij zich volgens de moeder volledig afzijdig gehouden en weigert hij ieder contact. Sinds hij naar de basisschool gaat heeft [minderjarige] een grote behoefte aan een vaderfiguur en aan contact met zijn vader. Omdat het haar plicht is de ontwikkeling van het contact van [minderjarige] met zijn vader te bevorderen, heeft zij geprobeerd met hem over de wens van [minderjarige] te overleggen, maar de vader houdt ieder contact af. Hij heeft aangegeven dat hij psychische klachten heeft en met rust gelaten wil worden.
Tegen deze achtergrond wil de moeder dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld zodat er voor [minderjarige] en zijn ouders zekerheid ontstaat over het omgangscontact en er zo tegemoet gekomen kan worden aan de rechten en de behoeften van [minderjarige] . De moeder wil niet dat omgang tussen de vader en [minderjarige] afhankelijk is en blijft van de wil van de vader.
Wanneer de vader twijfelt of hij wel de biologische vader is van [minderjarige] verzoekt zij te gelasten dat de vader meewerkt aan een DNA-onderzoek.

4.Standpunt Raad

De Raad begrijpt de wens van de moeder om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader tot stand te komen. Hoewel het in het belang is van een minderjarig kind om contact te hebben met beide ouders, is het ook erg belangrijk dat een omagngsregeling wordt nagekomen en [minderjarige] niet teleurgesteld wordt wanneer de vader door omstandigheden niet in staat is een omgangsregeling na te komen of die nakoming simpelweg weigert.

5.De beoordeling

In art 1:377a BW is vastgelegd dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Daarnaast is bepaald dat (naast de met het gezag belaste ouder ook) de niet met het gezag belaste ouder de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. De verplichting omgang met zijn kind te hebben geldt dus voor iedere juridische ouder. De verwekker van een kind die in nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat kan op grond van art. 1:377a BW een recht op omgang geldend maken, maar kan op grond van deze bepaling niet tot omgang worden verplicht (vgl. HR 22 december 1995, NJ 1996, 419). De dringende bij de moeder levende wens om contact tot stand te brengen tussen [minderjarige] en degene die zij als zijn vader beschouwt is volledig begrijpelijk, maar kan alleen langs gerechtelijke weg worden afgedwongen, indien eerst het (juridisch) ouderschap van [naam] is vastgesteld. Daarop heeft het nu ingediende verzoekschrift geen betrekking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de moeder niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.

6.De beslissing

De rechtbank:
Verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Bakker, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2019.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.