ECLI:NL:RBNHO:2019:7981

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 september 2019
Publicatiedatum
23 september 2019
Zaaknummer
7909652 AO VERZ 19-67
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b BWArt. 7:669 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met beëindigingsvergoeding

De werkgever heeft bij de rechtbank Noord-Holland verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer erkende dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat voortzetting niet redelijk was en dat herplaatsing niet mogelijk was.

De kantonrechter oordeelde dat er een redelijke grond voor ontbinding bestond op basis van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro g BW. Partijen waren het eens over de opzegtermijn van vier maanden en de ontbinding per 1 januari 2020.

Verder erkenden partijen dat de werknemer aanspraak had op een beëindigingsvergoeding van €70.000 bruto, welke door de werkgever moest worden betaald. De kantonrechter bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2020 met betaling van een beëindigingsvergoeding van €70.000 bruto.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 7909652 \ AO VERZ 19-67
Uitspraakdatum: 11 september 2019
Beschikking in de zaak van:
[verzoeker], h.o.d.n. Grimex Licht,
wonende te [woonplaats 1]
verzoekende partij
verder te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. A.J. Butter
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats 2]
verwerende partij
verder te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. L. Bijl

1.Het procesverloop

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 11 september 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] bij brieven van 6 en 8 september 2019 nog stukken toegezonden.

2.De beoordeling

2.1.
[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van [verweerder] niet meer mogelijk is.
2.2.
[verweerder] heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [verzoeker] in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook [verweerder] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
2.3.
Nu [verweerder] heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van [verweerder] niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [verweerder] .
2.4.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van vier maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 januari 2020.
2.5.
Partijen zijn het er ook over eens dat [verweerder] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 70.000,00 bruto. [verzoeker] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
2.6.
[verzoeker] heeft ter zitting te kennen gegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. [verzoeker] hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking.
2.7.
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2020;
3.2.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] een beëindigingsvergoeding te betalen van
€ 70.000,00 bruto;
3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 11 september 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter