3.3.3.Oordeel rechtbank
Juridisch kader
Artikel 177, eerste lid, onderdeel 1 (oud) Sr veronderstelt dat de omkoper het oogmerk (de bedoeling) heeft dat de ambtenaar in zijn bediening iets doet of nalaat.
Oogmerk in de zin van artikel 177 (oud) Sr is aanwezig wanneer de gever moet hebben beseft dat het doen van een ‘gift’ of ‘belofte’ als noodzakelijk en dus voor hem gewild gevolg meebrengt dat de ambtenaar wordt bewogen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Het betreft de zwaarste vorm van opzet die bovendien niet op de ‘gift’ of ‘belofte’ maar op het gevolg moet zijn gericht. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Als dat oogmerk niet (volledig) blijkt uit een door de gever daartoe strekkende verklaring, dient (mede) aan de hand van de feiten en omstandigheden, oftewel de uiterlijke verschijningsvorm van de feiten en omstandigheden van en rondom de ‘gift’ of ‘belofte’, te worden bepaald of de gever met zijn ‘gift’ of ‘belofte’ het oogmerk had om de ambtenaar te bewegen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Om de bewijsrechtelijke drempel van oogmerk te halen, dient op die manier minst genomen komen vast te staan dat het niet anders kan zijn dan dat de gever een ‘gift’ of ‘belofte’ aan de ambtenaar heeft gedaan met als doel daar iets voor terug te krijgen: dat kan een concrete tegenprestatie zijn, maar hoeft dat niet te zijn. Het kan er ook om gaan een speciale relatie te doen ontstaan die zal (kunnen) leiden tot een voorkeursbehandeling dan wel een betere positie, in onderhavig geval binnen de Provincie Noord-Holland.
Omkoping achteraf (artikel 177, eerste lid, onderdeel 2 (oud) Sr) vereist weliswaar geen oogmerk, maar wel opzet van de omkoper op het doen van een gift of belofte, welk opzet mede is gericht op het verband tussen de gift/belofte en het eerdere doen of nalaten van de ambtenaar.
Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank het handelen van de verdachte als volgt.
Vastgestelde feiten
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. In een overeenkomst tussen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] van 5 juni 2001 ondertekend namens [rechtspersoon 1] door [naam] en namens [rechtspersoon 2] door [naam 1] , is vastgelegd dat [rechtspersoon 1] voor [rechtspersoon 2] advieswerkzaamheden zal verrichten voor een all-in kwartaalfee van € 2.500 exclusief btw. Verdachte/ [rechtspersoon 4] wilde de aandelen in [rechtspersoon 2] verkopen. [naam] heeft in april/mei 2004 een kennismaking geregeld tussen [naam 2] van [rechtspersoon 3] en [naam 1] en verdachte namens [rechtspersoon 2] waarbij [naam] [rechtspersoon 3] heeft gepresenteerd als potentiële koper van (de aandelen van) [rechtspersoon 2] . Verdachte heeft kort daarna met [naam] afgesproken dat in het geval deze kennismaking tot een verkoop zou leiden, [rechtspersoon 1] voor de bemiddeling een fee zou ontvangen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [naam] voor het eerst in mei 2004 heeft ontmoet en dat hij tot dat moment niet wist dat [naam] advieswerkzaamheden voor [rechtspersoon 2] verrichtte, aangezien [rechtspersoon 2] meer adviseurs had en [naam 1] als directeur van [rechtspersoon 2] zelfstandig bevoegd was.
In de brief van 30 november 2004 bevestigt verdachte namens [rechtspersoon 4] de met [naam] gemaakte afspraak, inhoudende dat [naam]
“bij verkoop van [rechtspersoon 2] aan [rechtspersoon 3] , 1,5% van de verkoopprijs en van de eventuele nabetalingen zal ontvangen en dat betaling zal plaatsvinden op het moment dat [rechtspersoon 3] [rechtspersoon 4] heeft betaald”. Een makelaarsfee in deze orde van grootte voor het aanbrengen van een overnamekandidaat is niet ongebruikelijk.
Begin 2005 beginnen de onderhandelingen over de overname van [rechtspersoon 2] door [rechtspersoon 3] .
Op 15 januari 2005 wordt [naam] benoemd tot gedeputeerde. In een brief van 9 januari 2005 heeft [naam] [rechtspersoon 2] onder meer bericht dat in verband met die benoeming de contractuele verplichtingen tussen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] worden opgeschort en hij zijn werkzaamheden met ingang van 10 januari 2005 voor [rechtspersoon 1] beëindigt.
In juni 2005 sluiten [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] een koopovereenkomst waarbij [rechtspersoon 2] 60% van de aandelen zal overdragen aan [rechtspersoon 3] . De overdracht van de aandelen volgt in september 2005.
In de brief van 14 november 2005 is de tussen verdachte en [naam] gemaakte afspraak over de in 2004 overeengekomen makelaarsfee nader uitgewerkt. In die brief staat onder meer het volgende vermeld.
“Naar aanleiding van de bevestiging van eerder gemaakte afspraken inzake de verkoop van [rechtspersoon 2] zoals verwoord in onze brief van 30 november 2004 bevestigen wij hierbij schriftelijk de reeds eerder mondeling gemaakte vervolgafspraken. Als uitwerking van de afgesproken 1,5% van de verkoopprijs zijn de volgende betalingen overeengekomen bij tranche 60% aandelenverkoop [rechtspersoon 2] aan [rechtspersoon 3] :
- € 90.000,- voor 31 december 2005;
- € 50.000,- per januari 2006;
- € 50.000,- na het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 2] en Stadsdeel Osdorp;
- € 35.000,- bij start bouw project Lutkemeren.
De vergoeding van 1,5% over de waarde van [rechtspersoon 2] bij lichten optie door [rechtspersoon 3] blijft ongewijzigd.”
De eerst genoemde bedragen van € 90.000 en € 50.000 zijn vervolgens betaald.
Belofte betaling € 50.000 en € 35.000 in brief 14 november 2005 (tweede deel onder d)
In de visie van het Openbaar Ministerie heeft verdachte in de brief van 14 november 2005 twee betalingen beloofd die rechtstreeks afhankelijk zijn gemaakt van ontwikkelingen in het project Lutkemeren. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de brief van 14 november 2005 is bedoeld om met [naam] een vaste prijs af te spreken waarover geen discussie meer mogelijk was, en waarbij de betaaldata variabel waren, nu ook de koopprijs door [rechtspersoon 3] in termijnen zou worden voldaan. Volgens verdachte was ten tijde van het opstellen van de brief duidelijk dat de transactie tussen [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] door zou gaan, het due dilligence onderzoek was afgerond en was er zicht op een calculatie van de nabetalingen in verband met lopende projecten. Uit de verklaring die verdachte op 13 februari 2015 als getuige ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep in de zaak tegen [naam] heeft afgelegd als ook zijn verklaring als verdachte ter zitting, leidt de rechtbank af dat de koopsom van de aandelen in [rechtspersoon 2] bestond uit Eigen Vermogen, een bedrag aan goodwill en nabetalingen in het kader van de ontwikkeling van grond in diverse projecten, waaronder het project Lutkemeren, waarvoor [rechtspersoon 4] of [rechtspersoon 2] reeds kosten hadden gemaakt. [rechtspersoon 3] was bereid deze kosten te vergoeden indien het betreffende project door zou gaan. Verdachte heeft ter zitting ontkend dat de laatste twee betalingen, genoemd in de brief van 14 november 2005, afhankelijk zijn gemaakt van ontwikkelingen in het project Lutkemeren. De betalingen zijn gekoppeld aan Lutkemeren, omdat ten aanzien van dit project de met [rechtspersoon 3] afgesproken nabetalingstermijn tien jaar bedroeg, terwijl die termijn bij de andere projecten waarop nabetalingen zouden worden verricht, vijf jaar was.
De makelaarsfee waarop [naam] recht had, is volgens verdachte op dat moment (november 2005) op ongeveer € 225.000 begroot.
De rechtbank stelt vast dat het ter zitting door verdachte ingenomen standpunt over de in de brief van 14 november 2005 gemaakte koppeling tussen de aan [naam] toekomende bedragen en (ontwikkelingen in) het project Lutkemeren enigszins afwijkt van de verklaring die hij daarover als getuige in de zaak tegen [naam] (in hoger beroep) heeft afgelegd. Als getuige heeft verdachte immers aangegeven dat de betalingen aan [naam] afhankelijk waren van de ontwikkeling van het project Lutkemeren en dat er geen betaling of een lagere betaling zou zijn gevolgd als de samenwerkingsovereenkomst niet tot stand was gekomen of de bouw niet was gestart. Tegelijkertijd heeft verdachte als getuige wel gezegd dat [naam] op de ontwikkeling van het project geen invloed had, dat de totale succesfee ten tijde van de brief op ongeveer € 225.000 kon worden begroot en dat er gezocht is naar duidelijke betalingsmomenten die zijn gekoppeld aan momenten waarop de waarde van projecten bepaald kan worden.
De rechtbank acht de door verdachte ter zitting gegeven uitleg over de brief niet onaannemelijk. Vast staat immers dat de hoogte van de succesfee rond de datum waarop de brief is opgesteld, ongeveer maar niet tot op de cent nauwkeurig vastgesteld kon worden, aangezien de met [rechtspersoon 3] overeengekomen koopsom mede afhing van de waarde van de nog lopende projecten waarop [rechtspersoon 3] gehouden was nabetalingen te verrichten, welke waarde nog niet exact bepaald kon worden.
Wat er verder ook zij van de in brief gelegde koppeling tussen betalingen aan [naam] en het project Lutkemeren, is de rechtbank - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel dat daaraan niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat verdachte die betalingen rechtstreeks afhankelijk heeft gesteld van nog te leveren provinciale prestaties, waarop [naam] als gedeputeerde invloed kon uitoefenen. Daartoe zijn bijkomende feiten en omstandigheden nodig, die de rechtbank niet of onvoldoende zijn gebleken.
Vast staat dat het project Lutkemeren een bedrijventerrein in de Lutkemeerpolder betreft, waar [rechtspersoon 2] reeds op 17 januari 2000 gronden in eigendom had verworven; de overige gronden waren nagenoeg geheel in handen van de gemeente Amsterdam (Stadsdeel Osdorp). In een bestemmingsplan dat in 2002 door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland is goedgekeurd, is voorzien in de bestemming van aan Schiphol gerelateerd bedrijventerrein. Vanaf 2003 hebben er onder leiding van [rechtspersoon 5] besprekingen plaatsgevonden tussen [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] en Stadsdeel Osdorp (hierna SDO) om tot een gemeenschappelijke grondexploitatie te komen. In het licht van deze feiten ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte met de in zijn brief genoemde betalingen van € 50.000 (na ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 2] en SDO) en € 35.000 (bij start bouw project Lutkemeren) de bedoeling heeft gehad [naam] te bewegen tot een doen of een nalaten in zijn functie van gedeputeerde. Ten tijde van het opstellen van de brief door verdachte is geen sprake van enige betrokkenheid van de provincie of van [naam] als gedeputeerde bij het project Lutkemeren. [rechtspersoon 6] is op dat moment geen gesprekspartner in het project Lutkemeren, terwijl ook anderszins niet is gebleken van betrokkenheid of invloed van de provincie. Er is vanuit het perspectief van verdachte bezien ook geen noodzaak voor betrokkenheid van provincie of [rechtspersoon 6] . De door het Openbaar Ministerie gelegde link tussen de brief en de speech die [naam] een week na het opstellen van de brief, op 21 november 2005, geeft tijdens het [rechtspersoon 2] Event waarin hij onder meer iets zegt over zijn rol als ‘matchmaker’ tussen [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 2] en over het feit dat de provincie Noord-Holland project gerelateerde procedures snel afrondt, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende specifiek. Bovendien past een dergelijke algemene uitspraak bij de rol van een gedeputeerde, die Ruimtelijke Ordening in portefeuille heeft, om goede relaties te onderhouden met bedrijven in de vastgoedsector. Daaraan kan in ieder geval niet de conclusie worden verbonden dat het tekenen van een samenwerkingsovereenkomst tussen SDO en [rechtspersoon 2] en de start van de bouw project Lutkemeren prestaties zijn die op dat moment onmiskenbaar binnen de invloedssfeer van de provincie lagen.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping van [naam] door middel van de in de brief van 14 november 2005 gedane belofte tot betaling van € 50.000 en € 35.000.
Gift € 14.875 (onder a)
Op 6 februari 2007 wordt er door [rechtspersoon 4] op basis van een factuur van [rechtspersoon 1] met omschrijving
“conform onze afspraak en herbevestigd dec jl declareren wij u wegens 3e termijn vervreemding aandelen [rechtspersoon 2] ”€ 14.875 betaald aan [rechtspersoon 1] .
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de betaling van € 14.875 verband hield met het tot stand komen van een concept samenwerkingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] en SDO (gemeente Amsterdam). Deze samenwerkingsovereenkomst is overigens nooit definitief geworden. Verdachte verklaart hierover ter zitting: “ [naam] bedelde om geld en omdat we met de concept samenwerkingsovereenkomst weer een stap verder waren in de ontwikkeling van het project Lutkemeren, was ik bereid tot een betaling van € 14.875, zijnde 25% van het afgesproken bedrag”. De betreffende concept samenwerkingsovereenkomst gedateerd 21 februari 2006 hield in dat SDO en [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] in het kader van de gezamenlijke ontwikkeling van het gebied Lutkemeren III een Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij (GEM) zouden oprichten waarbij beide partijen grond zouden inbrengen. Volgens verdachte zou [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] haar gronden inbrengen tegen een marktconforme prijs en de opstalontwikkeling voor haar rekening nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt ten aanzien van de betaling van € 14.875 dat onvoldoende is gebleken dat verdachte deze betaling heeft gedaan met als doel [naam] te belonen voor een door hem verrichte prestatie dan wel [naam] te bevoordelen teneinde daar zelf ten behoeve van [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] of [rechtspersoon 4] voordeel van te trekken.
Allereerst verwijst de omschrijving op de door [naam] verstuurde factuur naar de met verdachte gemaakte afspraak inzake de vervreemding aandelen [rechtspersoon 2] , te weten het in rekening brengen van een deel van de makelaarsfee waarover in de brieven van 30 november 2004 en 14 november 2005 afspraken zijn gemaakt en welke fee eind 2005 door verdachte was begroot op in totaal ongeveer € 225.000. Zoals hiervoor reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat betalingen ter zake van die fee door verdachte destijds afhankelijk zijn gemaakt van een door [naam] te leveren tegenprestatie in het project Lutkemeren. Verder is ook niet gebleken dat de provincie of [naam] als gedeputeerde in de periode rondom deze betaling op enigerlei wijze betrokken zijn bij met SDO gevoerde onderhandelingen die hebben geleid tot een concept samenwerkingsovereenkomst inzake de gezamenlijke ontwikkeling/grondexploitatie van deelgebied III van de Lutkemeer of daarop enige invloed hebben uitgeoefend dan wel kunnen uitoefenen. De inhoud van de samenwerkingsovereenkomst of het memo van [rechtspersoon 5] van 11 oktober 2006 waarin de historie van het project alsmede de beoogde samenwerking tussen SDO en [rechtspersoon 3] in deelgebied III van de Lutkemeren wordt beschreven, bieden daarvoor geen steun. Ook de diverse verklaringen van bij de ontwikkeling van project Lutkemeren betrokken personen wijzen daar niet op. Er lag een concept samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de ontwikkeling van gronden waarvoor het bestemmingsplan reeds in 2002 door de provincie was vastgesteld. Niet valt in te zien op welke wijze verdachte met de betaling het oog heeft gehad op door [naam] in zijn functie als gedeputeerde reeds verrichtte of nog te verrichten prestaties dan wel andere vormen van begunstiging van verdachte en of aan hem gelieerde bedrijven.
Het Openbaar Ministerie heeft nog aangevoerd dat de omstandigheid dat er minder is betaald dan (voorwaardelijk in brief van 14 november 2005) toegezegd vanwege tegenvallende resultaten, een indicatie vormt dat er voor de betaling wel degelijk een tegenprestatie verschuldigd is. Verdachte heeft tegengesproken dat de betaling van € 14.875 in plaats van € 50.000 komt door tegenvallende resultaten in het project. Volgens verdachte was er ten tijde van de betaling van € 14.875 nog geen zicht op resultaten, laat staan dat gezegd kon worden dat sprake was van tegenvallende resultaten. Verdachte/ [rechtspersoon 4] had naast een nabetaling door [rechtspersoon 3] ingevolge de samenwerkingsovereenkomst recht op 20% van de winst op de ontwikkeling van de grond in de toekomst, hetgeen een aanzienlijk bedrag zou vertegenwoordigen. Bovendien is de betaling (25% van het afgesproken bedrag) gevolgd omdat [naam] bedelde om geld. De rechtbank kan de juistheid van de verklaring van verdachte op dit punt niet uitsluiten. Zijn standpunt dat de koppeling van de derde en vierde deelbetaling (in de brief van 14 november 2005) aan het project Lutkemeren willekeurig is en uitsluitend is bedoeld om
het momentvan deelbetaling vast te stellen alsmede dat [naam] geen invloed op de ontwikkeling van het project kon uitoefenen, sluit daar ook bij aan.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de vermeende omkopingsgedraging - de gift van € 14.875 - door verdachte is verricht met het oogmerk [naam] in zijn functie van gedeputeerde iets te laten doen of na te laten of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [naam] in die functie was gedaan of nagelaten, acht zij dit onderdeel van de tenlastelegging (onder a) niet wettig en overtuigend bewezen.
Gift € 20.000 (onder b)
Op 21 juli 2008 wordt op de rekening van [rechtspersoon 1] vanaf de rekening van [rechtspersoon 4] een bedrag van € 20.000 bijgeschreven. De omschrijving op het bankafschrift luidt:
“3e voorschot afrek [rechtspersoon 2] d.d. brief 30/11//2007”. Volgens verdachte is ook deze betaling terug te voeren op de brief van 14 november 2005 en betreft het wederom een (deel)betaling aan [naam] voor de door hem reeds in 2004 geleverde prestatie. Ter zitting heeft verdachte verklaard aan de betaling geen herinnering meer te hebben; hij vermoedt dat het tijdstip van de betaling te maken heeft gehad met het onderhandelingsakkoord van 10 juli 2008 en het feit dat [naam] met enige regelmaat vroeg hoe het stond met de betalingen ter zake de makelaarsfee.
Het Openbaar Ministerie heeft voor het bewijs van de actieve omkoping door verdachte in dit verband gewezen op het feit dat het [rechtspersoon 6] - waarvan de provincie, vertegenwoordigd door [naam] , aandeelhouder is - ten tijde van de betaling partij bij de onderhandelingen over project Lutkemeren is geworden. Ook wijst het Openbaar Ministerie op contacten tussen verdachte en [naam] in de periode rondom de betaling (juni 2008) en daarna (september 2008) en het feit dat verdachte in het najaar van 2008 zou hebben geroepen dat [naam] namens de provincie de gronden van [rechtspersoon 3] - [rechtspersoon 2] (inmiddels [rechtspersoon 7] ) in project Lutkemeren wel zou willen kopen.
Vast staat dat [rechtspersoon 6] ergens in 2007 partij bij de onderhandelingen over project Lutkemeren is geworden en dat de provincie, als één van de aandeelhouders van [rechtspersoon 6] , op die manier betrokken raakte. [naam] was voorzitter van het [forum] , het orgaan waarin de aandeelhouders van [rechtspersoon 6] betrokken waren. Ook de door het Openbaar Ministerie genoemde mailcontacten tussen verdachte en [naam] wijzen in de richting van betrokkenheid van [naam] bij het project. Zij leveren echter, ook in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank niet het wettig en overtuigend bewijs van omkoping op. Daartoe is immers vereist dat op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de gift is gedaan, het niet anders kan dan dat verdachte [naam] heeft betaald met het doel hem te bewegen in zijn functie iets te doen of na te laten. Dit is niet het geval.
Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat het aan de onderhandelingstafel geraken van [rechtspersoon 6] op verzoek van SDO is gebeurd. Verdachte heeft dit ter zitting verklaard en zijn verklaring vindt steun in de verklaring van [naam 3] (afgelegd op 28 september 2015 als getuige bij de rechter-commissaris). [naam 3] , destijds vanuit SDO betrokken bij project Lutkemeren, heeft verklaard dat [rechtspersoon 6] is opgericht om bedrijventerreinen rond Schiphol gestructureerd te ontwikkelen. Feitelijk is het een private overheidsonderneming met overheden als aandeelhouder. [rechtspersoon 6] was al partner in Lutkemeer I, dus was het logisch om [rechtspersoon 6] ook te betrekken bij Lutkemeer III, nu met een andere partij sprake zou zijn van concurrentie tussen de twee gebieden, aldus [naam 3] . Achterliggende gedachte voor de betrokkenheid van [rechtspersoon 6] was volgens verdachte ook deze publiek-private samenwerking nieuw leven in te blazen dan wel [rechtspersoon 6] een doorstart te laten maken. Deze verklaring van verdachte vindt bevestiging in het memo van [rechtspersoon 5] van 11 april 2007 en ook in de verklaring van [naam 4] (afgelegd bij de rechter-commissaris op 28 september 2015). Uit het dossier rijst het beeld, onder meer op basis van getuigenverklaringen van diverse bij de onderhandelingen betrokken personen, dat sprake was van ingewikkelde onderhandelingen. De komst van een derde partij, met bijbehorende eigen belangen, kan, evenals de latere bemoeienissen van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA), eerder als nadelig dan als een voordeel voor [rechtspersoon 7] worden gezien.
Kennelijk is in of rond september 2008 gebleken dat geen sprake meer kon zijn van een samenwerking in het kader van een Gebiedsonwikkelings- of Grondexploitatiemaatschappij (GEM) waarbij SDO en [rechtspersoon 7] hun gronden in de Lutkemeerpolder zouden inbrengen.
Dit kwam omdat het OGA er, kort samengevat, op tegen was dat een private partij zou deelnemen in een GEM. Naar aanleiding daarvan doet verdachte het voorstel de gronden te verkopen aan [rechtspersoon 6] . Uit een memo van [rechtspersoon 5] van 23 oktober 2008 volgt dat op 15 oktober 2008 kennelijk is besproken dat het OGA/de gemeente Amsterdam of de provincie Noord-Holland bereid is de grond van [rechtspersoon 7] aan te kopen met de inzet dit te realiseren voor 1 januari 2009. Kort daarna bleek SDO bereid de grond van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder te kopen. In een intern memo gedateerd 21 oktober 2008 en gericht aan [naam] wordt laatstgenoemde meegedeeld dat daarmee een interventie van de provincie Noord-Holland niet langer aan de orde is. In 2009 zijn de gronden van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder verkocht aan SDO/gemeente Amsterdam.
Dat verdachte in juni 2008 een agenda van een onderhandelingsoverleg met (vertrouwelijke) bijlagen naar [naam] stuurt en hem in september 2008 via de mail een (prijs)voorstel voor de verkoop van gronden aan [rechtspersoon 6] voorlegt met het verzoek om commentaar, is opmerkelijk te noemen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verdachte op enig moment in een vergadering zou hebben geroepen dat [naam] , met wie hij de provincie bedoelde, de gronden van [rechtspersoon 7] in de Lutkemeerpolder zou willen kopen. Aan deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de betekenis worden toegekend die het Openbaar Ministerie daaraan toegekend wenst te zien. Niet gebleken is immers dat [naam] op de e-mails van verdachte heeft gereageerd of dat deze hebben geleid tot overleg tussen beiden. Verdachte heeft de betreffende mail met een inhoudelijk voorstel over de verkoop van de grond van [rechtspersoon 7] aan [rechtspersoon 6] ook cc aan [naam 4] (vanuit [rechtspersoon 5] betrokken bij de onderhandelingen) gestuurd, hetgeen niet duidt op enig heimelijk overleg tussen verdachte en [naam] . In dat verband valt ook niet uit te sluiten dat het versturen van de e-mail aan [naam] juist op verzoek van [naam 5] (van [rechtspersoon 6] ) is gebeurd, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard. Over de reden van het in beeld komen van de provincie als mogelijke koper van de grond van [rechtspersoon 7] , verklaren direct betrokkenen bij de onderhandelingen ook niet eenduidig. Volgens [naam 6] ( [rechtspersoon 6] ) kwam de provincie in beeld omdat, naar de rechtbank begrijpt, de onderhandelingen in de visie van het [rechtspersoon 6] te lang duurden, waardoor het idee opkwam dat de provincie de gronden tijdelijk zou financieren. [naam 4] verklaart dat de aankoop van de grond door de provincie is genoemd als mogelijke optie in het kader van de herkapitalisatie van [rechtspersoon 6] . Voor zover verdachte tijdens de onderhandelingen zou hebben geroepen dat [naam] /de provincie de gronden zou kopen, hetgeen verdachte ter zitting overigens heeft ontkend, geldt dat geenszins valt uit te sluiten dat dit enkel en alleen is gebeurd om druk op de onderhandelingen te zetten, die volgens verdachte en ook andere betrokkenen al (te) lang duurden en dat [naam] met die geopperde mogelijkheid niets van doen heeft gehad.
In het licht van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat het oogmerk van verdachte zonder meer en ondubbelzinnig gericht was op het bevoordelen van [naam] teneinde hem tot iets te bewegen en daar zelf of ten behoeve van aan hem gelieerde bedrijven voordeel van te hebben. Evenmin kan worden bewezen dat de betaling achteraf is gedaan naar aanleiding van een doen of nalaten van [naam] . Ten aanzien van de betaling van € 20.000 op 21 juli 2008 blijft open de mogelijkheid dat verdachte dit bedrag als gedeelte van de reeds in 2004 overeengekomen makelaarsfee op verzoek van [naam] aan hem heeft uitbetaald. Dit leidt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging ontbreekt.