AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van forfaitaire vaststelling belastbaar inkomen uit sparen en beleggen onder Wet IB 2001
Eiser betwist de vaststelling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag inkomstenbelasting 2016, omdat dit volgens hem niet gebaseerd is op daadwerkelijk genoten inkomsten maar op forfaitaire berekeningen. Verweerder heeft de aanslag gehandhaafd en stelt dat de wettelijke bepalingen juist zijn toegepast.
De rechtbank stelt vast dat verweerder conform de Wet IB 2001 heeft gehandeld en dat eiser geen beroep doet op artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank benadrukt dat zij niet bevoegd is om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen, noch aan de Grondwet of fundamentele rechtsbeginselen.
Daarom wijst de rechtbank het beroep af en verklaart het ongegrond. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de forfaitaire vaststelling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 18/1899
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2019 in de zaak tussen
[X], wonende te [Z] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Aan eiser is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.105, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van verweerder is gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Die stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2019 te Haarlem.
Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. van Gorkum.
Overwegingen
Feiten
1. Bij het vaststellen van de aanslag voor het onderhavige jaar is verweerder – overeenkomstig de door eiser gedane aangifte – uitgegaan van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.105. De over dat inkomen verschuldigde belasting beloopt € 10.531 (vóór aftrek elders belast).
Geschil2. Tussen partijen is in geschil of verweerder bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van een te hoog belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en concludeert tot vermindering van de aanslag met een bedrag van € 3.195. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de aanslag niet is uitgegaan van een te hoog belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
3. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
4. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert eiser een aantal stellingen aan die zich keren tegen de wijze waarop onder de Wet IB 2001 het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald. Meer in het bijzonder klagen die stellingen – kort gezegd – erover dat bij die bepaling niet wordt uitgegaan van de door een belastingplichtige daadwerkelijk genoten inkomsten, maar van ‘forfaitair’ bepaalde inkomsten. Eiser heeft aangegeven geen beroep te doen op artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen juist heeft toegepast. De door eiser aangevoerde klachten stuiten daarop in hun geheel af.
6. Naar aanleiding van die klachten overweegt de rechtbank niettemin het volgende. De rechtbank is ervan op de hoogte dat de wijze waarop het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen onder de Wet IB 2001 wordt bepaald, bij belastingplichtigen op weerstand stuit. Die weerstand komt ook tot uitdrukking in de door eiser aangevoerde klachten. Het is de rechtbank nochtans niet toegestaan op grond van hetgeen door die klachten wordt aangevoerd, de wettelijke regeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten. Op grond van artikel 11 vanPro de Wet algemene bepalingen mag de rechter immers in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Evenmin is het hem toegestaan de wet te toetsen aan de Grondwet (artikel 120 vanPro de Grondwet) of aan fundamentele rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, nr. 13822, NJ 1989, 469).
Proceskosten
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van Scharrenburg, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. M.W. Koenis, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;