ECLI:NL:RBNHO:2019:2663
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van vorderbaarheid en inbaarheid van niet-uitbetaald loon en pensioen
Eiser, een advocaat en directeur-grootaandeelhouder van [A] BV, voerde beroep aan tegen aanslagen inkomstenbelasting over 2013 en 2014. Het geschil betrof de vraag of niet-uitbetaald loon en pensioen als vorderbaar en inbaar konden worden beschouwd, en daarmee als genoten loon in de heffing betrokken moesten worden.
De rechtbank stelde vast dat eiser een rekening-courantschuld aan zijn werkgever had, waardoor het niet-uitbetaalde loon en pensioen met deze schuld konden worden verrekend. Hierdoor waren deze bedragen vorderbaar en inbaar volgens artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB 1964. Het standpunt van eiser dat verrekening met de schuld op grond van artikel 7:632 BW Pro uitgesloten zou zijn, werd verworpen omdat deze bepaling alleen de werkgever bindt.
Verder werd geoordeeld dat de loonvordering niet kon worden aangemerkt als ter beschikking gesteld vermogen vanwege de rangorderegeling in de Wet IB 2001. Partijen bereikten een deelcompromis over afwaardering van vorderingen op [X1] BV, wat door de rechtbank werd gehonoreerd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en verminderde de aanslagen inkomstenbelasting voor 2013 en 2014. Tevens werden de proceskosten van eiser toegewezen en het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het niet-uitbetaalde loon en pensioen vorderbaar en inbaar waren en vermindert de belastingaanslagen over 2013 en 2014.