ECLI:NL:RBNHO:2018:9682

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 november 2018
Publicatiedatum
7 november 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4149
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij navorderingsaanslag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014, waarbij een belastbaar inkomen van €3.870.485 is vastgesteld en een belastingrente van €409.551 is opgelegd. Na handhaving van deze aanslag bij het bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat hij niet bevoegd is om te oordelen over het verzoek tot schorsing van invorderingsmaatregelen, maar wel over het verzoek tot voorlopige voorziening inzake de navorderingsaanslag zelf. De toetsing van de rechtmatigheid van de aanslag is marginaal en kan alleen leiden tot schorsing indien de aanslag onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig is opgelegd.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarnaast vereist dat er een spoedeisend belang bestaat, bijvoorbeeld een acute financiële noodsituatie. Verzoeker stelde dat uitwinning van vermogensbestanddelen dreigde en dat de claim zo groot was dat geen middelen beschikbaar waren. Echter, uit stukken van de Belastingdienst blijkt dat verzoeker als ware hem uitstel van betaling verleend is en dat ondanks een dwangbevel geen invorderingsmaatregelen zijn uitgevoerd.

Gelet hierop en het ontbreken van aanwijzingen voor een acute financiële noodsituatie, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 18/4149

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 15 februari 2018 aan verzoeker voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.870.485. Daarbij is bij beschikking een bedrag van € 409.551 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld.
Bij brief van 28 september 2018 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft bij brief van 24 oktober 2018 (met bijlage) een reactie gegeven naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak zonder mondelinge behandeling van het verzoek.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij geldt dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en verweerder heeft hierop bij het bestreden besluit beslist. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter overweegt in de eerste plaats dat hij niet bevoegd is te oordelen voor zover verzoeker heeft verzocht om schorsing van de naar aanleiding van de navorderingsaanslag en het bestreden besluit genomen invorderingsmaatregelen.
De voorzieningenrechter is daarentegen wel bevoegd te oordelen over het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de navorderingsaanslag.
4. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker met zijn verzoek de rechtsgevolgen van de navorderingsaanslag voorlopig te schorsen dan wel de navorderingsaanslag te schorsen, in feite vraagt om uitstel van betaling van de navorderingsaanslag. Ofschoon dit in feite een invorderingskwestie betreft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij in beginsel wel de mogelijkheid heeft tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, echter, dit kan uitsluitend indien de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat de navorderingsaanslag onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig is opgelegd (vgl. De uitspraak van 12 maart 2003 van het Gerechtshof ’s-Gravenhage, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSGR:2003:AV4371).
Deze toetsing kan daarom slechts een marginale zijn.
5. Alvorens de voorzieningenrechter toekomt aan de marginale toetsing van de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag, zal eerst moeten worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat hierdoor sprake is van een acute financiële noodsituatie voor verzoeker.
6. Verzoeker heeft gesteld dat sprake is van uitwinning van vermogensbestanddelen waardoor een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Verzoeker heeft voorts gesteld dat de door verweerder gepretendeerde claim zo groot is dat daarvoor thans geen middelen aanwezig zijn.
7. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende. Uit de als bijlage bij de brief van verweerder van 24 oktober 2018 gevoegde brief van (eveneens) 24 oktober 2018 van de Ontvanger van de Belastingdienst blijkt onder meer dat ten aanzien van verzoeker wordt gehandeld als ware hem uitstel van betaling verleend met betrekking tot genoemde navorderingsaanslag. Ofschoon tegen verzoeker op 15 februari 2018 in verband met geconstateerde betalingsachterstand ter zake van de navorderingsaanslag een dwangbevel is uitgevaardigd, is van een daadwerkelijke uitvoering van invorderingsmaatregelen geen sprake. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat ook anderszins niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek zicht richt tegen de naar aanleiding van de navorderingsaanslag en het bestreden besluit genomen invorderingsmaatregelen en
  • wijst het verzoek af voor zover gericht tegen het bestreden besluit en de navorderingsaanslag.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
R. van der Vecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 november 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.