Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2018:9645

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
6 november 2018
Zaaknummer
C/15/279748 / FA RK 18-5543
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:447 BWArt. 1:253r BWArt. 1:253q BWArt. 2 lid 3c Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toestemming rechtbank nodig voor opname minderjarige met geschorst gezag van een ouder

De rechtbank Noord-Holland behandelde een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname van een minderjarige in een psychiatrisch ziekenhuis. De minderjarige lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve klachten en vormt een gevaar voor zichzelf en anderen. De moeder en de minderjarige zelf stemden in met opname, maar de vader, die mede het gezag heeft, is onvindbaar en vermoedelijk in het buitenland.

De wet Bopz vereist doorgaans een rechterlijke machtiging bij opname als ouders met gezag het niet eens zijn. De raadsman van de minderjarige stelde dat vanwege het ontbreken van instemming van de vader en diens onvindbaarheid het gezag van de vader geschorst is op grond van het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor oefent de moeder het gezag alleen uit.

De rechtbank bevestigde dat de vader door zijn afwezigheid en onvindbaarheid niet kan instemmen en dat de moeder daarom alleen het gezag uitoefent. Omdat de moeder en de minderjarige instemmen met opname, is geen voorlopige machtiging vereist. Het verzoek tot machtiging werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige machtiging voor opname wordt afgewezen omdat de moeder als enige gezaghebbende ouder instemt met opname en het gezag van de vader geschorst is wegens onvindbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige machtiging
zaak-/rekestnr.: C/15/279748 / FA RK 18-5543
beschikking van de enkelvoudige kamer van 1 november 2018,
naar aanleiding van het door de officier van justitie op 3 oktober 2018 ingediende verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging om:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: betrokkene,
te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.Procedure

Bij het verzoek is overgelegd een geneeskundige verklaring.
Op 29 oktober 2018 zijn de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat mr. J.A. Heeren,
- [arts in opleiding tot specialist] , arts in opleiding tot specialist,

2.Beoordeling

Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve klachten, onderliggende en bijkomende problematiek zijn nog niet bekend.
Ook is vast komen te staan dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf en voor anderen:
- het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat,
- gevaar voor de psychische gezondheid van een ander,
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.
Gebleken is voorts dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
Zowel betrokkene als haar moeder geven blijk van de nodige bereidheid [betrokkene] vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen.
Door de psychiater is aangevoerd dat in beginsel minderjarigen vanaf 16 jaar zelf toestemming mogen geven voor behandeling. Voor een klinische opname in een psychiatrisch ziekenhuis is echter een rechterlijke machtiging noodzakelijk als (één van ) beide ouders niet akkoord is met opname.
De raadsman van [betrokkene] heeft aangevoerd dat in geval van een overeenkomst inzake een geneeskundige behandeling, [betrokkene] in beginsel zelf bekwaam is een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf aan te gaan op grond van artikel 7:447 BW Pro omdat zij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Op grond van artikel 2 wet Pro Bopz lid 3c, is echter bij opname in een psychiatrisch ziekenhuis een voorlopige machtiging nodig als de ouders die samen het gezag hebben, van mening verschillen over opname.
Omdat de mede met het gezag belaste vader onvindbaar is, is de moeder in dit geval alleen belast met het gezag over [betrokkene] omdat het gezag van de vader is geschorst, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat onduidelijk is of de vader, die mede het gezag heeft over [betrokkene] , ook met opname instemt. Ter zitting is gebleken dat de vader met onbekende bestemming is vertrokken en zich waarschijnlijk in Colombia bevindt. Onbekend is op welk adres of via welke instantie contact met hem kan worden verkregen. Ook is er geen contact met hem via e-mail of whats-app of andere vergelijkbare middelen.
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 1:253 r, lid 1b Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 1:253 q Burgerlijk Wetboek, de moeder van rechtswege alleen het gezag uitoefent over [betrokkene] , omdat het gezag van de vader over [betrokkene] op grond van voornoemde omstandigheden is geschorst.
Omdat zowel [betrokkene] als haar moeder instemmen met opname, is gezien het hiervoor overwogene, een machtiging op grond van artikel 2 wet Pro Bobz niet vereist.
Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van M. van Wattum als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 november 2018.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.