De passagiers vorderden compensatie van British Airways op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens vertraging van hun vlucht van Amsterdam via Londen naar New York. Zij stelden dat zij hun aansluitende vlucht in Londen hadden gemist door vertraging op het eerste traject en dat zij daarom recht hadden op compensatie.
British Airways betwistte de vertraging en stelde dat de passagiers met een vertraging van minder dan drie uur op hun eindbestemming aankwamen. Het bewijs bestond uit een OPNL Legs rapport waaruit bleek dat het vliegtuig om 18.44 uur landde en de deuren om 18.46 uur werden geopend.
De rechtbank oordeelde dat de passagiers onvoldoende feiten hadden gesteld om de vertraging op het eerste traject te onderbouwen en ook onvoldoende hadden betwist dat de aankomsttijd conform het rapport was. De enkele betwisting was onvoldoende om het rapport te weerleggen.
Daarom stelde de rechtbank vast dat niet was komen vast te staan dat de passagiers meer dan drie uur vertraging hadden opgelopen en dat British Airways niet gehouden was tot compensatie. De vordering werd afgewezen en de passagiers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten en nakosten.