De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 februari 2018 een vonnis gewezen in een zaak tegen een veroordeelde die meermalen verduistering pleegde van geldbedragen die zij uit hoofde van haar dienstbetrekking onder zich had. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €31.266,62, gebaseerd op een rapport van het Bureau Financiële Recherche.
Tijdens de openbare terechtzitting op 19 januari 2018 werd de veroordeelde gehoord en bijgestaan door haar advocaat. De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk is aan het bedrag dat door de veroordeelde van de rekening van de stichting is onttrokken, hetzij via overschrijvingen, hetzij via contante opnamen.
De rechtbank oordeelde dat de ontnemingsmaatregel moet worden opgelegd en dat er geen aanwijzingen zijn dat de veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen. Tevens werd de samenloop met een eerder opgelegde schadevergoedingsmaatregel besproken, waarbij hetzelfde bedrag aan de Staat moet worden betaald ten behoeve van de benadeelde gemeente. Omdat nog geen betaling is voldaan, wordt het volledige bedrag van €31.266,62 als ontnemingsbedrag vastgesteld.
De wettelijke grondslag voor de maatregel is artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde tot betaling van het genoemde bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.