ECLI:NL:RBNHO:2018:5006
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij luchtvaartclaim tegen buitenlandse luchtvaartmaatschappij
De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van de EU-verordening 261/2004 vanwege een vluchtvertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Brussel naar New York met Delta Air Lines. Delta Air Lines stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was omdat zij haar statutaire zetel buiten de EU heeft en geen woonplaats in Nederland. De passagier betoogde dat het kantoor van Delta Air Lines op Schiphol een woonplaats vormt en dat de Nederlandse rechter op grond van verschillende wetsartikelen bevoegd is.
De kantonrechter oordeelde dat de statutaire zetel van Delta Air Lines in de Verenigde Staten ligt en dat het kantoor op Schiphol geen woonplaats vormt in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Ook was niet aannemelijk dat het kantoor betrokken was bij de vlucht of boeking. De plaats van indienen van de vordering bij KLM in Nederland was niet relevant voor de bevoegdheid. De Nederlandse rechter is daarom niet bevoegd volgens artikel 2 Rv Pro en de Brussel I bis-Verordening.
Het beroep op artikel 9 sub c Rv Pro faalde omdat het niet onaanvaardbaar is voor de passagier om de zaak voor een buitenlandse rechter te brengen. De kantonrechter wees het incident toe en verklaarde zich onbevoegd in de hoofdzaak, waarbij de passagier in de kosten werd veroordeeld.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de compensatievordering tegen Delta Air Lines.