ECLI:NL:RBNHO:2018:3381

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 maart 2018
Publicatiedatum
23 april 2018
Zaaknummer
C/15/271345 / JU RK 18-435
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens huiselijk geweld en onvoldoende medewerking hulpverlening

De burgemeester verzocht de kinderrechter om te beoordelen of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor een minderjarige die woont bij haar moeder en stiefvader. Sinds 2012 zijn er herhaaldelijk meldingen van huiselijk geweld geweest waarbij de minderjarige getuige was, en er is sprake van overmatig alcoholgebruik door de stiefvader in haar aanwezigheid. De moeder zet de minderjarige bovendien in als tolk in communicatie met hulpverleners, wat haar belast.

De Raad voor de Kinderbescherming zag aanvankelijk onvoldoende grond voor ondertoezichtstelling, mede omdat de school geen actuele zorgen had over de ontwikkeling van het kind en sinds augustus 2017 geen nieuwe politiemeldingen waren. Echter, de burgemeester benadrukte het patroon van huiselijk geweld en het gebrek aan medewerking aan hulpverlening, waardoor er beperkt zicht is op het welzijn en de veiligheid van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelde dat de minderjarige wordt bedreigd in haar ontwikkeling en dat een gedwongen kader noodzakelijk is om zicht te krijgen op de opvoedingssituatie. De moeder en stiefvader erkennen de zorgen niet en werken onvoldoende mee aan hulpverlening. Daarom werd de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden uitgesproken, met als doel het inzetten en doorzetten van noodzakelijke hulpverlening.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor twaalf maanden onder toezicht gesteld vanwege huiselijk geweld en onvoldoende medewerking aan hulpverlening.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
Zittingsplaats: Alkmaar
IMS
zaakgegevens : C/15/271345 / JU RK 18-435
datum uitspraak: 27 maart 2018

beschikking ondertoezichtstelling op verzoek van de burgemeester

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Haarlem.
betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

hierna ook te noemen de minderjarige of [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de burgemeester van de gemeente [plaats] ,

gevestigd te [plaats] ,

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] .

Het procesverloop

Op 12 maart 2018 is bij de griffie ingekomen een schrijven van de Raad, met als bijlage een rapport van de Raad, gedateerd 27 februari 2018.
Op 16 maart 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- [medewerker gemeente] en [medewerker gemeente] , namens de burgemeester van de gemeente
[plaats] ,
- [medewerker Raad] , namens de Raad,
- de moeder, vergezeld door [tolk] , tolk in de Poolse taal.

De feiten

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door beide ouders.
De minderjarige woont bij de moeder en haar partner (verder ook te noemen: de stiefvader).

Het verzoek

De burgemeester van de gemeente [plaats] heeft de Raad verzocht de kinderrechter te laten beoordelen of het noodzakelijk is om [minderjarige] onder toezicht te stellen.
De Raad heeft dit verzoek overeenkomstig artikel 1:255, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de kinderrechter voorgelegd.

De standpunten van belanghebbenden

De Raad ziet op dit moment onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. School heeft op dit moment geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zij laat op school minder tot geen negatief gedrag meer zien in de vorm van liegen of spullen wegnemen. Het lijkt op dit moment rustiger in het gezin en sinds augustus 2017 zijn er geen nieuwe politiemeldingen ontvangen. Wel wil de Raad met klem benadrukken dat de moeder en de stiefvader de verantwoordelijkheid hebben om mee te werken aan vrijwillige hulpverlening, zodat passende begeleiding geboden kan worden.
Namens de burgemeester van de gemeente [plaats] is ter zitting naar voren gebracht dat er in de afgelopen jaren sprake is van een patroon van terugkerend huiselijk geweld in de opvoedsituatie bij de moeder. Veilig Thuis probeert al langere tijd hulpverlening in te zetten, maar de moeder en de stiefvader houden dat grotendeels af, waardoor er beperkt zicht is op het welzijn van [minderjarige] en haar veiligheid in de thuissituatie. De moeder geeft geen openheid over de thuissituatie. Thans is een gedwongen kader noodzakelijk teneinde zicht te verkrijgen op de opvoedingsomgeving van [minderjarige] en op haar ontwikkeling. School heeft wellicht op dit moment nauwelijks zorgen over haar ontwikkeling, maar [minderjarige] laat op school niets los over de thuissituatie, heeft een slecht gebit en is ook te zwaar.
De moeder vindt een ondertoezichtstelling niet nodig. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en school heeft geen zorgen. De moeder heeft zelf ook geen zorgen. Ter zitting heeft zij bevestigd dat er wel eens sprake is geweest van overmatig alcoholgebruik door de stiefvader en dat hij dan ook geweld heeft gebruikt richting haar, maar dat heeft [minderjarige] nooit gezien. Misschien heeft [minderjarige] wel iets gehoord, maar zeker niet gezien.

De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling ter terechtzitting overweegt de kinderrechter als volgt.
Gebleken is onder meer dat er sinds 2012 herhaaldelijk meldingen zijn geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de stiefvader, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Daarbij werd er ook geschreeuwd en werden er spullen kapot gemaakt. Daarnaast is er sprake van overmatig alcoholgebruik door de stiefvader, in aanwezigheid van [minderjarige] . Tevens zet de moeder [minderjarige] in als tolk in de communicatie met hulpverleners en politie. Dat betreft vaak zaken die alleen volwassenen aangaan, waardoor [minderjarige] belast wordt.
Een paar weken geleden, in februari 2018, heeft de politie nog een huisbezoek afgelegd in verband met een overlastmelding. De politie trof de stiefvader aan in dronken toestand en hij was niet meer in staat om te communiceren. [minderjarige] was op dat moment in de kamer aanwezig en de moeder heeft [minderjarige] ook toen weer als tolk ingezet.
[minderjarige] heeft in het verleden op school zorgwekkende uitspraken gedaan over het alcoholgebruik van de moeder en de stiefvader. Daar laat zij zich nu niet meer over uit, ook niet als zij daartoe door de juf actief wordt uitgenodigd. De juf van [minderjarige] ziet wel dat [minderjarige] zich regelmatig niet goed lijkt te voelen en dat er mogelijk iets in haar hoofd speelt. Tegenover de Raad spreekt [minderjarige] uit, ook ongevraagd, dat het goed gaat met haar moeder en haar stiefvader en dat zij eigenlijk nooit alcohol drinken en nooit tegen haar schreeuwen. [minderjarige] laat hierdoor merken dat zij goed weet waar de zorgen van de hulpverlening op zien en ze laat hiermee een grote loyaliteit naar de moeder en de stiefvader blijken, die mogelijk schadelijk is voor haarzelf.
Verder is komen vast te staan dat Veilig Thuis al langere tijd geprobeerd heeft om hulpverlening in te zetten, maar dat de moeder en de stiefvader dat grotendeels afhouden, waardoor er beperkt zicht is op het welzijn van [minderjarige] en haar veiligheid in de thuissituatie.
Reeds in mei 2017 heeft Veilig Thuis de zaak overgedragen aan het wijkteam en de Jeugdbescherming regio Amsterdam zou in een drangkader starten, maar de moeder heeft daarvoor niet willen tekenen dan wel was onbereikbaar. Ter zitting heeft de moeder desgevraagd aangegeven op dit moment geen reden te zien om hulpverlening in te zetten.
De kinderrechter is, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de minderjarige wordt bedreigd in haar ontwikkeling. Het is noodzakelijk dat er zicht wordt verkregen op de opvoedingsomgeving en wat de invloed daarvan is op de ontwikkeling van de minderjarige, zeker nu [minderjarige] eerst op school zorgelijke uitspraken over haar thuissituatie heeft gedaan en daar nu niet meer over lijkt te durven vertellen. De GI kan ervoor zorgen dat de noodzakelijke hulpverlening wordt ingezet en doorgezet en kan daarbij een coördinerende en ondersteunende rol vervullen. Een gedwongen kader acht de kinderrechter noodzakelijk, omdat de moeder en de stiefvader de zorgen om [minderjarige] niet erkennen en zij mede daardoor onvoldoende openheid van zaken geven en onvoldoende medewerking verlenen aan hulpverlening.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal [minderjarige] op grond van artikel 1:255, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam, met ingang van 27 maart 2018 tot 27 maart 2019;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam