Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De gronden van de beslissing
€ 400,00 aan kosten voor de gemachtigde van [verzoekster] .
Rechtbank Noord-Holland
De werknemer trad op 1 april 2016 in dienst bij de werkgever met drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarvan de laatste liep tot 28 februari 2018.
Op 31 oktober 2017 zegde de werknemer de arbeidsovereenkomst op per 1 december 2017, maar de werkgever ging hier niet mee akkoord en stelde dat tussentijdse opzegging niet was toegestaan zonder wederzijds goedvinden. Op 27 november 2017 spraken partijen opnieuw, waarbij de werkgever stelde akkoord te gaan met beëindiging per 1 december 2017 met wederzijds goedvinden.
De werknemer stelde dat sprake was van een ontslag op staande voet, dat vernietigbaar is wegens ontbreken van een dringende reden. De werkgever stelde dat sprake was van een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden, maar deze was niet schriftelijk vastgelegd zoals vereist volgens artikel 7:670b lid 1 BW.
De kantonrechter oordeelde dat zowel het ontslag op staande voet als de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig waren. Het ontslag was vernietigbaar wegens ontbreken van een dringende reden en de beëindigingsovereenkomst nietig wegens ontbreken van schriftelijkheid. Hierdoor bleef de arbeidsovereenkomst doorlopen tot het einde van de laatste arbeidsovereenkomst op 28 februari 2018.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon over de periode 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018, vermeerderd met vakantiegeld en wettelijke rente, en tot vergoeding van proceskosten. De vordering tot buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gemaakte kosten.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de beëindigingsovereenkomst nietig verklaard, waardoor de arbeidsovereenkomst doorloopt en de werkgever loon moet betalen tot 28 februari 2018.