Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 10 mei 2017
- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2018.
Rechtbank Noord-Holland
In een civiele procedure vordert eiseres dat de rechtbank verklaart dat gedaagde advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door in het verweerschrift voor het hoger beroep niet expliciet incidenteel appel in te stellen, waardoor eiseres mogelijk een hogere partneralimentatie misliep. De rechtbank stelt vast dat de advocaat inderdaad een beroepsfout heeft begaan door niet expliciet melding te maken van het incidenteel appel, wat een aanzienlijk risico voor eiseres inhield dat zich ook verwezenlijkte.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof Den Haag en verwees de zaak naar het hof Amsterdam, mede vanwege het ontbreken van het expliciet instellen van incidenteel appel. De rechtbank oordeelt dat deze cassatieprocedure en verwijzing voorkomen hadden kunnen worden bij juiste beroepsuitoefening. De aansprakelijkheid van gedaagde voor deze beroepsfout wordt erkend.
De rechtbank bespreekt diverse schadeposten, waaronder de mogelijke gemiste alimentatie, kosten van de cassatieprocedure (die door de verzekeraar zijn gedekt), kosten van aansprakelijkstelling en de eigen bijdrage voor de procedure bij het hof Amsterdam. Niet alle schadeposten worden toegewezen; sommige moeten nader worden opgemaakt bij staat. Ontbinding van de overeenkomst van opdracht wordt afgewezen omdat geen tekortkoming is vastgesteld die dit rechtvaardigt.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt en veroordeelt gedaagde tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.