ECLI:NL:RBNHO:2018:146
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.A. Onderwater
- M.H.L.C. Bijvoet
- W.M.C. Schipper
- Rechtspraak.nl
Indeling van BPC vloerdelen in de Gecombineerde Nomenclatuur voor douanerechten
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de juiste douane-indeling van BPC vloerdelen centraal, die bestaan uit 60% bamboepoeder, 30% polyethyleen en 10% additieven. Eiseres betoogt dat de vloerdelen als hout moeten worden ingedeeld vanwege het aandeel bamboe en de eigenschappen die daaraan worden toegeschreven. Verweerder stelt dat het wezenlijk karakter van de vloerdelen wordt bepaald door het polyethyleen, een kunststof, en dat de vloerdelen daarom als kunststof vloerbedekking moeten worden ingedeeld.
De rechtbank analyseert de samenstelling, het productieproces en de eigenschappen van de vloerdelen. Het bamboepoeder wordt gezien als vulmiddel dat niet het wezenlijk karakter bepaalt. De eigenschappen zoals vochtbestendigheid en duurzaamheid worden toegeschreven aan het polyethyleen. De vloerdelen voldoen aan de omschrijving van kunststof vloerbedekking in tegels zoals bedoeld in GS-post 3918 en het arrest van het HvJ in de zaak Impexo Trading A/S.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de indeling onder GS-post 3918 met een douanerecht van 6,5%. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bepaalt dat de vloerdelen als kunststof vloerbedekking onder GS-post 3918 moeten worden ingedeeld.