Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
– ongeveer twee weken voordat [slachtoffer] wegliep bij medeverdachte – van medeverdachte heeft gehoord dat verdachte en zij seks hadden gehad met [slachtoffer] . [getuige 1] heeft [slachtoffer] , die daar toen nog met niemand over had gesproken, op diezelfde dag met die informatie geconfronteerd. De betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] . Deze getuige vertelde aan [getuige 1] dat met een ander pleegkind van medeverdachte rare dingen waren gebeurd en dat dat kind op tijd was weggekomen. [getuige 1] heeft verklaard dat zij hierdoor dacht dat [getuige 2] reeds bekend was met hetgeen was voorgevallen tussen [slachtoffer] , verdachte en medeverdachte. [getuige 1] heeft vervolgens aan [getuige 2] verteld wat zij van medeverdachte daarover had vernomen. Het gesprek tussen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] vond plaats één of twee weken nadat [getuige 1] van medeverdachte had gehoord dat verdachte en zij seks hadden gehad met [slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande, de wijze en het moment waarop de zaak aan het licht is gekomen, namelijk dat [slachtoffer] er voor het eerst zelf mee is gekomen nadat zij door [getuige 1] geconfronteerd was met hetgeen verdachte en medeverdachte aan [getuige 1] hadden verteld,
ziet de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] .
Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , te weten 29 jaren, waaruit een grote mate van overwicht van verdachte voortvloeit. In artikel 249, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht staat de bescherming van afhankelijke minderjarigen tegen seksuele handelingen centraal. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden geconcludeerd dat tussen [slachtoffer] en verdachte, op grond van zijn leeftijd en positie binnen het gezin van medeverdachte, sprake was van een afhankelijkheidsrelatie. Verdachte had uit dien hoofde een overwicht op [slachtoffer] , waardoor zij minder weerstand aan hem kon bieden dan aan anderen.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] aan de zorg en waakzaamheid van verdachte, in de zin van artikel 249, eerste lid, voornoemd, was toevertrouwd.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
twaalf (12) maanden.
zes (6) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
twee (2) jaren.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
€ 67,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
[slachtoffer]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
60 dagenhechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.