Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
de cliëntenraad Halte Werk,
[eiser 2] , te [woonplaats 1],
[eiser 3] , te [woonplaats 2],
[eiser 4] , te [woonplaats 1],
[eiser 5] , te [woonplaats 1], en
de landelijke cliëntenraad,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde het geschil over het ontslag van zeven leden van de cliëntenraad van Halte Werk, waaronder vier eisers. De ontslagen leden hadden bezwaar gemaakt tegen hun ontslagbesluiten en beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin de bezwaren ongegrond werden verklaard. De cliëntenraad en de landelijke cliëntenraad voerden eveneens procedures.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de cliëntenraad en de landelijke cliëntenraad niet rechtsgeldig waren vertegenwoordigd en daarom niet-ontvankelijk waren in hun beroepen. Ook een van de individuele eisers had geen tijdig bezwaar gemaakt en was niet-ontvankelijk. De overige drie beroepen werden inhoudelijk behandeld. De ontslagen leden stelden dat zij hun rol als adviseurs goed vervulden en dat het ontslag onterecht was, terwijl verweerder stelde dat er onoverkomelijke verschillen waren en dat de leden zich onprofessioneel hadden gedragen.
De rechtbank stelde vast dat artikel 47 van Pro de Participatiewet en de Verordening cliëntenparticipatie alleen het algemene belang van betrokkenheid bij de uitvoering van de wet beschermen, niet het persoonlijke belang van individuele leden om hun lidmaatschap te behouden. Op grond van het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a Awb) kon het bestreden besluit niet worden vernietigd omdat de rechtsregels niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers.
De rechtbank verklaarde de beroepen van de cliëntenraad, landelijke cliëntenraad en één eiser niet-ontvankelijk, en de beroepen van de overige drie eisers ongegrond. Verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de cliëntenraad, landelijke cliëntenraad en een eiser worden niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen van drie eisers worden ongegrond verklaard en alle verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.