4.1In het kader van de hierna te noemen beslissingen en gelet op de verwevenheid van de zaken verwijst de kinderrechter naar hetgeen in de beschikking met rekestnummer C/15/252907 / JU RK 16-2260 ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is overwogen.
De schriftelijke aanwijzing
4.2.1Op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Op grond van artikel 1:265f van het BW kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing. Het wettelijk kader van de schriftelijke aanwijzing is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
4.2.2De GI heeft op 8 december 2016 aan de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven.
Hierin is het volgende opgenomen:
- de ouders hebben een keer per vier weken bezoek met [minderjarige] , welk bezoek wordt begeleid door [naam] . Tevens is het aan [naam] om de locatie en de tijdsduur te bepalen aan de hand van de voortgang en de ontwikkelingen, te starten met bezoek op kantoor bij [naam] gedurende 1,5 uur.
4.2.3Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid. Bij de beoordeling van de vraag of de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing de rechterlijke toets kan doorstaan, dient dan ook de vraag beantwoord te worden of dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
4.2.4Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de GI zorgvuldig en uitgebreid gemotiveerd waarom een omgangsregeling is vastgesteld zoals hiervoor is aangegeven. Door de GI is vermeld dat gekeken is naar een juiste balans met betrekking tot de behoefte en de belastbaarheid van [minderjarige] . Gezien het gewijzigde perspectief van [minderjarige] en de hulpverlening gericht op traumaverwerking is de GI van mening dat het in het belang van [minderjarige] is de bezoekregeling te wijzigen.
Nu het perspectief van [minderjarige] niet langer thuisplaatsing bij de ouders is, is door de GI ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders een omgangsregeling vastgesteld die valt binnen de bandbreedte van het algemene beleid in dergelijke situaties, maar ook met inachtneming van de voor de situatie van [minderjarige] specifiek geldende omstandigheden. Het doel van de omgang in een situatie als die van [minderjarige] is dat hij weet wie zijn ouders zijn en om de band tussen de ouders en kind te behouden. De kinderrechter is van oordeel dat hiervoor een omgangsfrequentie zoals deze door de GI is vastgesteld, passend is.
De kinderrechter neemt bij dit oordeel tevens in overweging dat van belang is dat [minderjarige] de rust en de ruimte krijgt om te kunnen profiteren van de voor hem geadviseerde behandeling en therapie en te wennen aan de rol van zijn ouders als ‘ouders op afstand’.
4.2.5Gelet op vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de ouders tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 8 december 2016 afwijzen.
Het verzoek om [minderjarige] niet te verplaatsen
4.3.1Ten aanzien van het verzoek van de ouders te bepalen dat [minderjarige] niet verplaatst mag worden vanuit het huidige pleeggezin overweegt de kinderrechter als volgt.
4.3.2In artikel 1: 265i van het BW wordt gesteld dat, indien een minderjarige ten minste een jaar door een ander als de ouders is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin, de GI toestemming van de kinderrechter behoeft voor wijziging in het verblijf van een minderjarige.
4.3.3De rechtbank stelt vast dat op grond van de wet voor de GI wel, maar voor de ouders geen rechtsingang openstaat om een verzoek te doen zoals zij hebben gedaan.
4.3.4De kinderrechter zal derhalve de ouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.
4.3.5Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat de termijn voor de toestemming tot overplaatsing voor de GI nog niet aan de orde is, nu [minderjarige] nog geen jaar in het pleeggezin verblijft. Voorts is van belang dat ten aanzien van de mogelijke overplaatsing van [minderjarige] naar een gezinshuis deze toestemming is verleend in de beslissing van de kinderrechter met rekestnummer C/15/252907 / JU RK 16-2260 van 8 februari 2017 op het verzochte in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin dan wel een gezinshuis. De GI hoeft dus geen afzonderlijk verzoek om toestemming van de kinderrechter in te dienen voor het verplaatsen van [minderjarige] .
Verzoek in het kader van de geschillenregeling: gelegenheid voor het opstellen van een familiegroepsplan
4.4.1Ten aanzien van het verzoek van de ouders om in het kader van de in artikel 1:262b van het BW neergelegde geschillenregeling in de gelegenheid te worden gesteld om een familiegroepsplan op te stellen, overweegt de kinderrechter als volgt.
4.4.2Op grond van artikel 1:262b BW kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
4.4.3.Op grond van artikel 4.1.2 van de Jeugdwet biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat het gezag van de ouders is beëindigd. Slechts indien de ouders aan de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling te kennen hebben gegeven dat zij geen gebruik wensen te maken van de in de eerste zin bedoelde mogelijkheid, concrete bedreigingen in de ontwikkeling van het kind hiertoe aanleiding geven of de belangen van het kind anderszins geschaad worden, kan de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling hiervan afzien.
4.4.4De rechtbank overweegt dat artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is ingevoegd bij amendement voor een oorspronkelijk artikel 4.1.1.a van de Jeugdwet (Kamerstukken II, 2013-2014, 33684, nr. 40). De toelichting bij dit amendement luidt als volgt:
“Dit amendement beoogt ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en te helpen aan een oplossing. Burgers zijn in veel gevallen zeer wel in staat verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in eigen familie- of vriendenkring. Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het welzijn van kinderen. Door vormen van hulp van betrokkenen en steun uit directe kring kan bovendien uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg bevorderd. Als voorbeeld dient de zogenaamde Eigen Kracht-conferentie waarbij het familie- en vriendennetwerk onder leiding van een onafhankelijk coördinator zelf een plan opstelt en uitvoert. Daarmee komt de regie bij de burger te liggen.
Gebleken is dat de eigenaar van het probleem, samen met eigen mensen, ook de sleutel voor de oplossing in handen heeft. Daarbij kan de kennis en bijstand van jeugdzorgprofessionals worden ingeroepen.
Indien het een machtiging of een voorwaardelijke machtiging betreft biedt de kinderrechter de kans voor het opstellen van een familiegroepsplan.
Indien er een familiegroepsplan wordt opgesteld geldt dit als hulpverleningsplan.”
4.4.5De kinderrechter leidt uit de tekst van en de toelichting bij artikel 4.1.2 van de Jeugdwet af dat het instrument van het familiegroepsplan vooral gericht is op het bieden van gelegenheid aan de ouders en hun netwerk om de problemen op te lossen in eigen kring (met eventuele ondersteuning) in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd. Dit instrument lijkt een belangrijk middel om dreigende uithuisplaatsing af te wenden door voldoende bijstand en ondersteuning in familieverband op te tuigen.
4.4.6In dit geval heeft de uithuisplaatsing van [minderjarige] al bijna een jaar geduurd en heeft er in een MTFC-P pleeggezin onder meer observatie plaatsgevonden. In het evaluatieverslag MTFC-P van [naam] van 19 oktober 2016 is aangegeven dat de problematiek en de kwetsbaarheden van [minderjarige] vragen om langdurige ondersteuning en begeleiding. Naar het oordeel van de kinderrechter is uit voornoemde rapportage en de informatie van de GI voldoende gebleken dat de ouders [minderjarige] deze ondersteuning en begeleiding niet kunnen bieden, omdat [minderjarige] vanwege zijn forse kindeigen problematiek en zijn kwetsbaarheden veelal is aangewezen op een professionele opvoedings- en verzorgingssituatie. Niet voor niets heeft de kinderrechter daarom in de beschikking van heden met C/15/252907 / JU RK 16-2260 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met een jaar verlengd.
4.4.7Uit het gezinsplan blijkt dat de ouders op een eerder moment aan de GI hebben aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Voorts is gebleken dat gedurende de aanvang van de uithuisplaatsing van [minderjarige] door de GI gewerkt is om de ouders in de gelegenheid te stellen om met het netwerk tot een gezamenlijk plan te komen. Hier is echter niets uitgekomen. Verder blijkt uit de stukken dat de GI het niet aannemelijk acht dat de voor [minderjarige] noodzakelijke ondersteuning en begeleiding in familieverband kan worden georganiseerd, mede gezien het feit dat familieleden op grote afstand van elkaar wonen en de onderlinge relatie kwetsbaar is.
4.4.8Gelet op de voortgang van het uithuisplaatsingstraject van [minderjarige] , de bij [minderjarige] aanwezige problematiek en de inschatting van de mogelijkheden van het netwerk, is de kinderrechter van oordeel dat GI de ouders in deze fase geen gelegenheid meer hoefde te bieden voor het opstellen van een familiegroepsplan. Naar het oordeel van de kinderrechter vormen de concrete bedreigingen in de ontwikkeling [minderjarige] voor de GI een rechtvaardiging om het verzoek van de ouders tot het opstellen van een familiegroepsplan af te wijzen.
4.4.9De kinderrechter wijst dit verzoek van de ouders dan ook af.