Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[de vrouw] ,
[naam],
Rechtbank Noord-Holland
De vrouw en haar meerderjarige kind hebben de rechtbank verzocht om een kinderbijdrage van de man vast te stellen. De man ontvangt een bijstandsuitkering en heeft slechts kortdurend beperkte werkzaamheden verricht met minimale inkomsten die werden verrekend met zijn uitkering. De rechtbank stelt vast dat de financiële situatie van de man sinds de echtscheiding in 2015 niet is gewijzigd.
De vrouw baseerde haar verzoek op het vermoeden dat de man inkomen genereert, maar dit bleek niet het geval. De man heeft geen draagkracht om een bijdrage te leveren. De rechtbank overweegt tevens dat de procedure onnodig was omdat de gemeente als uitkerende instantie op de hoogte had moeten zijn van de financiële situatie van beide partijen.
De rechtbank wijst het verzoek af en benadrukt dat hoger beroep mogelijk is binnen drie maanden na uitspraak. De procedure toont het belang van adequate communicatie tussen advocaten en instanties bij uitkeringszaken.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van kinderbijdrage wordt afgewezen wegens het ontbreken van draagkracht bij de man.