ECLI:NL:RBNHO:2017:6146
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ongerechtvaardigde verrijking na einde huurovereenkomst bedrijfspand
Eiseres, een besloten vennootschap, huurde sinds 2000 een bedrijfspand en voerde aanzienlijke verbouwingen uit, met investeringen van circa €250.000 exclusief BTW. Na opzegging van de huurovereenkomst per 1 januari 2016 vorderde zij van gedaagde een vergoeding van €100.000 wegens ongerechtvaardigde verrijking, gebaseerd op een taxatierapport dat de meerwaarde van het pand door de aanpassingen op dat bedrag stelde.
Gedaagde betwistte de verrijking en voerde aan dat de WOZ-waarde van het pand was gedaald en dat het pand nu tegen een lagere huurprijs wordt verhuurd. Tevens stelde gedaagde dat aan eiseres geen toestemming was verleend voor de verbouwingen en dat de investeringen niet voldoende waren gespecificeerd.
De kantonrechter oordeelde dat hoewel eiseres investeringen had gedaan en het pand was uitgebreid, zij onvoldoende had gesteld dat gedaagde daadwerkelijk was verrijkt. De daling van de WOZ-waarde en de lagere huurprijs werden niet gemotiveerd betwist. Hierdoor werd niet voldaan aan de stelplicht omtrent verrijking, zodat de vordering werd afgewezen. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke verrijking.