ECLI:NL:RBNHO:2017:1472
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen blokkering en intrekking bijstandsuitkering zelfstandige
Verzoekers ontvingen sinds september 2013 bijstand, nadat hun eerdere Bbz-uitkering was beëindigd vanwege een niet-levensvatbaar bedrijf. Naar aanleiding van een signaal over inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden als rijschoolhouder, blokkeerde verweerder de uitkering en trok deze later in wegens het niet verstrekken van financiële gegevens.
Verzoekers stelden dat zij aan hun inlichtingenplicht voldeden en dat hun werkzaamheden bekend waren bij de inkomensconsulent. Verweerder betoogde dat verzoekers niet hadden gemeld dat het om meer dan marginale werkzaamheden ging.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers sinds 2015 als zelfstandige werkzaam zijn en daarom geen recht hebben op bijstand op grond van de Participatiewet. Verweerder kan de grondslag van het besluit wijzigen en stelt dat bijstand op grond van de Bbz alleen kan worden verleend als de onderneming levensvatbaar is.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening omdat het als zelfstandige werkzaam zijn het recht op bijstand uitsluit. Verzoekers moeten kiezen tussen zelfstandige voortzetting of beëindiging van het bedrijf om bijstand te kunnen ontvangen. Er is geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen blokkering en intrekking bijstandsuitkering wordt afgewezen.