Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar tegen het primaire besluit van de gemeente Bergen, waarin het verzoek om handhaving van recreatiewoningen werd afgewezen. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar inmiddels is behandeld en een dwangsom is betaald, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
Voor de recreatiewoning die eigendom is van eisers is het beroep eveneens niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat verweerder reeds heeft toegezegd handhavend op te treden zodra het overgangsrecht is uitgewerkt. Het beroep wordt inhoudelijk behandeld voor de overige drie recreatiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van artikel 2.3a Wabo en dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Derde-partijen kunnen de omvang van het geding niet uitbreiden en hun stellingen worden buiten beschouwing gelaten.
Verweerder heeft gewezen op bijzondere omstandigheden zoals het langdurig bestaan van de woningen, het gebruiksovergangsrecht en een raadsbesluit over bestemmingsplan en persoonsgebonden overgangsrecht. De rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende concreet en formeel onvolledig om van handhavend optreden af te zien. Ook het tijdsverloop en het gebruiksovergangsrecht rechtvaardigen geen afzien van handhaving.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor de drie recreatiewoningen, vernietigt het bestreden besluit voor zover het deze betreft en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de motivering. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eisers vergoed.