ECLI:NL:RBNHO:2017:10835

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 juli 2017
Publicatiedatum
20 december 2017
Zaaknummer
6034067
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:356 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder tot opname geld van BEM-rekening minderjarige

De moeder van een minderjarige, die onder toezicht staat en uit huis is geplaatst, verzocht de kantonrechter om toestemming om €5.000 van de BEM-rekening van haar kind op te nemen. Dit bedrag zou worden gebruikt voor advocaatkosten in procedures omtrent de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De BEM-rekening bevat een erfenis die pas vrijkomt als de minderjarige 18 jaar wordt.

De kantonrechter beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 1:356 lid 1 BW Pro, waarbij het individuele belang van de minderjarige centraal staat. De rechter oordeelde dat de BEM-clausule juist bedoeld is om te waarborgen dat het geld alleen wordt gebruikt voor het persoonlijk nut van de minderjarige. De advocaatkosten van de moeder worden niet geacht in het belang van het kind te zijn.

De gezinsvoogd is aangesteld om het belang van de minderjarige te behartigen en de kinderrechter beslist over verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Procesrechtelijk is bijstand van een advocaat voor de moeder niet noodzakelijk. Het verzoek is daarom afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder over het geld beschikt.

Uitkomst: Verzoek tot opname van geld van de BEM-rekening door de moeder wordt afgewezen omdat dit niet in het belang van de minderjarige is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton – locatie Haarlem
zaaknr.: 6034067 \ EJ VERZ 17-209
datum uitspraak: 27 juli 2017
Beschikking op verzoek van:
[verzoekster]
wonende te [woonplaats]
hierna [verzoekster] te noemen

1.De procedure

1.1.
Op 22 mei 2017 is ter griffie het verzoek ontvangen van [verzoekster] .
1.2.
Op 19 juli 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [verzoekster] ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is de moeder van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [datum] 2009.
2.2.
De vader van [de minderjarige] is [in 2012] overleden met achterlating van [de minderjarige] als erfgename. [de minderjarige] heeft uit de nalatenschap van haar vader een bedrag van circa € 27.000,00 ontvangen. Dit bedrag staat op een rekening voorzien van een zogeheten BEM-clausule, zodat het vermogen pas beschikbaar wordt als [de minderjarige] de leeftijd van achttien jaar bereikt.
2.3.
[de minderjarige] is op 1 oktober 2015 onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Amsterdam. In december 2015 heeft er op verzoek van [verzoekster] een wijziging van instelling plaatsgevonden en is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van het Leger des Heils.
2.4.
[de minderjarige] is op 23 maart 2016 uit huis geplaatst, bij de zus van [verzoekster] .

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om een machtiging om een bedrag van € 5.000,00 op te mogen nemen van de BEM rekening van [de minderjarige] om de advocaatkosten van [verzoekster] te betalen die voort komen uit de procedures die zien op de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Het doel van [verzoekster] is de omgang tussen [verzoekster] en [de minderjarige] uit te breiden en terugplaatsing van [de minderjarige] bij [verzoekster] te bewerkstelligen.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat hem een oordeel wordt gevraagd over de toepassing van artikel 1:356 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek. In dat kader immers heeft de kantonrechter in dit geval beslissingsbevoegdheid. Beslissend in dat verband is of in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk, nuttig of wenselijk is dat [verzoekster] over het geld van de BEM rekening beschikt. Het gaat om het individuele belang van [de minderjarige] .
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het de bedoeling is van de BEM clausule dat er voor gewaakt wordt dat het geld van de minderjarige anders wordt gebruikt dan voor speciale, op het persoonlijk nut van de minderjarige gerichte, uitgaven.
4.3.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld. De gezinsvoogd is aangesteld om te handelen in het belang van [de minderjarige] . De verlenging(en) van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] zullen plaatsvinden door de kinderrechter, nadat op zitting ook [verzoekster] is gehoord. Bijstand van een advocaat is daarvoor procesrechtelijk gezien niet noodzakelijk. Dat [verzoekster] zich wil laten bijstaan door een advocaat is haar keuze. Dat deze keuze in het individuele belang van [de minderjarige] is, is niet gebleken. De kantonrechter begrijpt dat het [verzoekster] als moeder erg aangrijpt, maar haar belang in de procedures ten aanzien van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is niet bij voorbaat gelijk aan het belang van [de minderjarige] .
4.4.
De kantonrechter is geen voldoende reden opgegeven om [verzoekster] machtiging te verlenen om uitgaven te doen van het geld dat toebehoort aan [de minderjarige] . Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.Beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.