ECLI:NL:RBNHO:2017:10209

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
6 december 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4842
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3.8 Apv AlkmaarArt. 3.6 Apv AlkmaarArt. 151a GemeentewetGrondwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verbod werkruimten voor prostituees onder 21 jaar

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een voorschrift in een exploitatievergunning voor een seksbedrijf, gevestigd te Alkmaar. Het voorschrift verbiedt het beschikbaar stellen van werkruimten aan prostituees jonger dan 21 jaar. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit voorschrift en vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van dit verbod.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen indien onverwijlde spoed vereist is, hetgeen hier niet het geval is. De rechtsvragen die verzoekster opriep, zoals de bevoegdheid van de gemeenteraad om het voorschrift vast te stellen en mogelijke strijdigheid met hogere regelgeving zoals de Grondwet en de Dienstenrichtlijn, zijn principieel van aard en lenen zich niet voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningprocedure.

De voorzieningenrechter merkte op dat de beslissing op het bezwaar waarschijnlijk spoedig zal volgen en dat de principiële rechtsvragen beter in een bodemprocedure door een meervoudige kamer behandeld kunnen worden. Ook wees de voorzieningenrechter verzoekster erop dat bij een eventueel beroep versnelde behandeling kan worden gevraagd.

Gelet op het ontbreken van spoedeisend belang en de aard van de rechtsvragen, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verbod op werkruimten voor prostituees onder 21 jaar wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed en principiële aard van de rechtsvragen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 17/4842

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 december 2017 in de zaak tussen

[verzoekster] V.O.F., te Alkmaar, verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Hollenberg),
en

de burgemeester van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Smit en mr. E.C.W. van der Poel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunning verleend voor het exploiteren van een seksbedrijf, gevestigd aan de [locatie] .
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Namens verzoekster is verschenen [naam] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door mr. M. IJzerman, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Het geschil spitst zich toe op het aan de exploitatievergunning verbonden voorschrift dat het verzoekster verboden is om werkruimten beschikbaar te stellen aan prostituees die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Verzoekster voert aan dat dit voorschrift tot een onrechtmatige beperking van haar bedrijfsvoering leidt.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich bij het verbinden van het bestreden voorschrift aan de exploitatievergunning heeft gebaseerd op artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Alkmaar (hierna: Apv) al dan niet in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Apv. Verzoekster vraagt van de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening inhoudende een schorsing van dit voorschrift tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoekster. Een dergelijke voorziening verlangt dat de voorzieningenrechter een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geeft over eerdergenoemde bepalingen uit de Apv. De door verzoekster opgeworpen rechtsvragen behelzen de beoordeling of de gemeenteraad ingevolge artikel 151a van de Gemeentewet wel bevoegd was deze bepalingen vast te stellen, alsmede of deze bepalingen in strijd zijn met hogere regelgeving (de Grondwet) en daarom onverbindend zijn, dan wel buiten toepassing dienen te worden gelaten (exceptieve toetsing). Op de hoorzitting in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft verzoekster ook nog aangevoerd dat deze bepalingen in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn.
Deze principiële vragen lenen zich niet voor beantwoording in het kader van deze voorlopige voorzieningprocedure. Te meer nu eerdergenoemde bepalingen afkomstig zijn uit een model-Apv van de VNG en - zoals blijkt uit door verzoekster overgelegde stukken - ook door 36 andere gemeenteraden in de Apv zijn opgenomen. Deze rechtsvragen vergen - in geval een bodemprocedure aanhangig is bij de rechtbank - een behandeling door de meervoudige kamer.
De voorzieningenrechter wijst gelet hierop het verzoek af. Nog daargelaten of sprake is van een spoedeisend (financieel) belang.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, de beslissing op bezwaar waarschijnlijk op korte termijn zal worden genomen. Gelet op de principiële aard van de aan de orde zijnde rechtsvragen, zal naar verwachting ook een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep tegen deze beslissing op bezwaar verzoekster geen uitsluitsel bieden over de door haar opgeworpen rechtsvragen. De voorzieningenrechter geeft verzoekster daarom in overweging om, indien beroep wordt ingediend, de rechtbank te verzoeken om versnelde behandeling van dit beroep. De rechtbank zal dit verzoek welwillend in behandeling nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.