Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam]
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een doorlopende kredietovereenkomst gesloten in 1993 en 1994 tussen eiseres en de ex-echtgenoten. Na de echtscheiding in januari 2006 heeft alleen de ex-echtgenoot gebruik gemaakt van het krediet en een finale kwijting getroffen met eiseres. Gedaagde zelf heeft geen gebruik gemaakt van het krediet en leeft van een bijstandsuitkering.
Eiseres vordert betaling van openstaande bedragen, maar gedaagde voert verjaring aan omdat zij niet binnen vijf jaar na de echtscheiding is gemaand of in gebreke is gesteld. De rechtbank oordeelt dat de stukken van eiseres onvoldoende zijn om stuiting van verjaring aan te tonen, waaronder een brief uit 2010 die niet ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt.
Gezien de finale kwijting met de ex-echtgenoot en het feit dat gedaagde niet betrokken was bij de afwikkeling, acht de rechtbank het beroep op verjaring gegrond. De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden aan eiseres opgelegd.
Uitkomst: De vordering van eiseres wordt afgewezen wegens verjaring van de doorlopende kredietovereenkomst na echtscheiding.