De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 september 2016 geoordeeld over het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige die sinds 2007 onder toezicht staat en met een machtiging uit huis is geplaatst. De moeder oefende het gezag uit, maar was niet in staat de noodzakelijke verzorging en opvoeding te bieden. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat beëindiging noodzakelijk is, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming dit niet noodzakelijk achtte.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarige sinds haar vroege jeugd in een stabiel pleeggezin woont en daar positieve ontwikkeling doormaakt. De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis en beperkte contactmomenten met het kind, waarbij het contact door de GI is stopgezet vanwege negatieve effecten op het kind. De loyaliteit van de minderjarige staat onder druk door de gespannen relatie tussen moeder en pleegouders.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige gediend is met beëindiging van het gezag van de moeder en benoemde de GI tot voogd. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder kan binnen drie maanden hoger beroep instellen.