Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sancties
8.Beslissing
twaalf (12) maanden;
Rechtbank Noord-Holland
Op 3 april 2016 werd verdachte op Schiphol aangehouden nadat bij een lijfsvisitatie een geprepareerde korte broek met daarin vier pakketten cocaïne werd aangetroffen met een totaal gewicht van 1773,8 gram. Verdachte verklaarde benaderd te zijn door een onbekende om deze broek naar Zwitserland te vervoeren in ruil voor 5.000 USD, maar ontkende opzet op drugsinvoer.
De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij cocaïne vervoerde, mede gelet op zijn kennis over drugssmokkel vanuit Zuid-Amerika en het ontbreken van verdere vragen of verificatie door verdachte. Het verweer dat verdachte dacht aarde- of zandmonsters te vervoeren werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen, kwalificeerde dit als opzettelijke invoer van cocaïne in strijd met de Opiumwet, en veroordeelde verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Tevens werd 550 USD verbeurd verklaard en 300 USD teruggegeven aan verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf en verbeurdverklaring van 550 USD wegens opzettelijke invoer van cocaïne.