Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[naam] ,
[naam] ,
[de moeder] ,
Rechtbank Noord-Holland
De vader verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor zijn kinderen met ingang van 1 september 2010 op nihil te stellen, althans te verlagen. Hij stelde dat de lotsverbondenheid was verbroken en dat zijn inkomen aanzienlijk was gedaald door ziekte. De moeder en kinderen voerden verweer en benadrukten dat de vader het gezin had verlaten, geen onderhoud had betaald en dat de verzoekdatum niet terugwerkend kon zijn.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke onderhoudsplicht van de vader ten opzichte van de kinderen was geëindigd op respectievelijk 12 november 2011 en 3 december 2013. De vader had de procedure pas in oktober 2015 gestart, nadat hij door het LBIO was benaderd. De rechtbank stelde de ingangsdatum van de wijziging daarom vast op de datum van indiening van het verzoekschrift, 28 oktober 2015.
Omdat de onderhoudsplicht al was geëindigd vóór deze datum, ontbrak het de vader aan belang bij zijn verzoek. De rechtbank zag geen aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen op grond van artikel 1:399 BW Pro. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van behoefte en draagkracht.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.E. Allegro op 6 juli 2016. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.