Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2016:3936

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 mei 2016
Publicatiedatum
11 mei 2016
Zaaknummer
C/15/235113 / FA RK 15-7031
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 799 RvArt. 279 RvArt. 1:441 BWArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot nihilstelling kinderbijdrage ondanks gewijzigde draagkracht

De man verzocht de rechtbank om de kinderbijdrage die hij aan de vrouw betaalt te wijzigen naar nihil met ingang van 1 maart 2014, omdat de vrouw onder bewind is gesteld en een schuldsaneringstraject volgt. Hij beriep zich op een afspraak in het ouderschapsplan en stelde dat hij geen draagkracht meer heeft om bij te dragen.

De vrouw betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek omdat zij niet bevoegd zou zijn als formele procespartij, en stelde dat de bewindvoerder betrokken had moeten worden. Ook voerde zij aan dat er geen wijziging van omstandigheden was en dat de man zijn draagkracht onvoldoende had onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de man ontvankelijk was omdat de bewindvoerder was opgeroepen maar niet verscheen, en dat de rechter in verzoekschriftprocedures zelf belanghebbenden kan bepalen. Het ouderschapsplan bevatte geen bindende afspraak over nihilstelling bij schuldsanering. Wel was het inkomen van de man gedaald van circa €1.400 naar €800 netto, wat een wijziging van omstandigheden vormt.

De draagkracht van de man werd opnieuw beoordeeld aan de hand van de draagkrachttabel 2016. Omdat zijn inkomen onder het bijstandsniveau ligt en hij reeds €50 betaalt, werd het verzoek afgewezen. De rechtbank ging niet in op de aanvaardbaarheidstoets vanwege onvoldoende onderbouwing.

De beschikking werd uitgesproken door rechter A. Stefels op 4 mei 2016. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderbijdrage wordt afgewezen ondanks zijn verminderde inkomen en het schuldsaneringstraject van de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
alimentatie/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/235113 / FA RK 15-7031
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 mei 2016
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.J. Meijer, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.J.F.A. Mutsaers, kantoorhoudende te Haarlem.

1.Procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 18 november 2015, ingekomen op 17 november 2015;
- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 30 december 2015;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 5 januari 2016;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 10 maart 2016;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 15 maart 2016;
- het emailbericht van de advocaat van de vrouw van 29 maart 2016.
1.2
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 maart 2016 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.J. Meijer en de vrouw bijgestaan door mr. M.J.F.A. Mutsaers. De bewindvoerder van de vrouw is met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2.Feiten en omstandigheden

2.1
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 4 juni 2014 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 21 mei 2014.
2.2
Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarige [minderjarige] :
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3
Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw
een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 50 per maand moet voldoen.
2.4
Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2016 € 16,80 per maand per kind.
2.5
Bij beschikking van de kantonrechter van 6 juli 2015 is de vrouw onder bewind gesteld.

3.Verzoek

3.1
De man verzoekt de beschikking te wijzigen in die zin, dat de
kinderbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 maart 2014.
Hij stelt dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven. In het ouderschapsplan van partijen is uitdrukkelijk overeengekomen dat indien de vrouw in de schuldsanering zou komen de kinderbijdrage op nihil zou worden gesteld, aldus de man. De man verwijst naar het door hem overgelegde ouderschapsplan met de daarbij gevoegde bijlage “aanvullingen van vader op concept-ouderschapsplan”. Nu de vrouw onder een schuldregeling valt, dient daarom de kinderbijdrage op nihil te worden gesteld.
De man stelt voorts geen draagkracht te hebben om enige bijdrage te voldoen. Hij doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

4.Verweer

4.1
Primair stelt de vrouw dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. De vrouw voert aan dat de man haar ten onrechte heeft betrokken in de procedure, nu zij op grond van artikel 1:441 BW Pro niet bevoegd is als formele procespartij op te treden. De man had de bewindvoerder moeten betrekken in de procedure, aldus de vrouw. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (2014;525) alsmede naar uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 8 juni 2011 (2011:BR2010) en het gerechtshof Leeuwarden van 26 augustus 2005 (AU1865).
4.2
De vrouw betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De overgelegde bijlage van de man vermeldt slechts dat
“(…) Om te voorkomen dat vader in het kader van de WSNP verplicht wordt om weer alimentatiewijziging te verzoeken bij de rechtbank met alle kosten van dien, zou geformuleerd moeten worden dat tijdens het schuldsaneringstraject (vrijwillig of in het kader van de WSNP) de kinderbijdrage op nihil wordt gesteld”.In het definitieve ouderschapsplan is deze dan wel een andersluidende regeling met betrekking tot de schuldsanering niet opgenomen.
Zou er sprake zijn van een wijziging van omstandigheden, dan betwist de vrouw dat de man geen draagkracht heeft. De man heeft zijn stelling niet onderbouwd met enige stukken.
4.3
De vrouw verweert zich tegen de verzochte ingangsdatum, nu het huwelijk pas is ontbonden per 4 juni 2014. Zou de ingangsdatum zien op de kinderbijdrage die ingevolge de voorlopige voorzieningen hadden moeten worden betaald, dan kan de man in deze procedure daar geen wijziging van vragen.

5.Beoordeling

5.1
Ingevolge artikel 1:441 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Dit betekent dat de bewindvoerder procesrechtelijk in beeld komt als de procedure het onder bewind gestelde vermogen betreft. In familierechtelijke zaken zal dat met name alimentatie- en boedelzaken betreffen.
De wederpartij van de rechthebbende dient derhalve de bewindvoerder in rechte te betrekken.
Vaststaat dat de man op de hoogte was van het beschermingsbewind van de vrouw, aangezien hij op 21 oktober 2015 de bewindvoerder van de vrouw heeft gedagvaard voor de kantonrechter.
5.2
Op grond van artikel 799 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat een verzoekschrift de namen en, voor zover bekend, de voornamen en de woonplaatsen van de belanghebbenden, alsmede van anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn. Uit artikel 279 Rv Pro volgt dat de rechter, behalve de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, te allen tijde belanghebbenden kan oproepen. Waar voor de dagvaardingsprocedure expliciet in de wet is opgenomen dat de eiser de juiste verweerder moet dagvaarden, geldt dit voor de verzoekschriftprocedure niet en is derhalve de sanctie van niet-ontvankelijkheid ook niet opgenomen voor deze procedure. De rechter bepaalt in de verzoekschriftprocedure wie belanghebbenden zijn. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 1989 (LJN: AD0930).
De griffier heeft op 24 maart 2016 de bewindvoerder opgeroepen om in de procedure te verschijnen. De advocaat van de vrouw heeft bericht op 29 maart 2016 dat de bewindvoerder niet zal verschijnen ter zitting en dat zij van de inhoud van het verweer op de hoogte is.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de vereisten van artikel 1:441 BW Pro en dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.
5.3
Op grond van artikel 1:401 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de man heeft gesteld omtrent het ouderschapsplan geen wijziging is in de zin van voornoemd artikel. Noch uit het door de man overgelegde stuk “aanvullingen van vader” noch uit het definitieve ouderschapsplan is gebleken dat daarin is voorgesteld om op te nemen dat als de vrouw in de schuldsanering zou komen de kinderbijdrage op nihil dient te worden gesteld.
5.5
Ter zitting heeft de man zijn verzoek aangevuld door te stellen dat zijn inkomen dermate is verminderd ten opzichte van het inkomen dat destijds als uitgangspunt is genomen dat dit een wijziging van omstandigheden oplevert.
De rechtbank overweegt het volgende. In het ouderschapsplan is opgenomen dat de man een kinderbijdrage van € 50 voor de drie kinderen tezamen zal voldoen. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat haar inkomen destijds ongeveer € 600 netto per maand bedroeg. De man heeft aangegeven dat zijn inkomen destijds ongeveer € 1.400 bedroeg, hetgeen de vrouw heeft beaamd. Het inkomen van de man bedraagt thans € 800 netto per maand, uitgaande van zijn loonstroken van januari en februari 2016. Dit betekent dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW Pro. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting gesteld dat deze aanvulling van het verzoek niet met stukken is onderbouwd. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, aangezien partijen beiden ter zitting hebben beaamd dat het inkomen van de man destijds ongeveer € 1.400 netto per maand bedroeg.
5.6
Nu er sprake is van een wijziging van omstandigheden, dient de draagkracht van de man opnieuw beoordeeld te worden. Het inkomen van de man valt in de categorie van 0 tot
€ 1.300 per maand in de draagkrachttabel 2016. Voorts heeft de man een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. Hij heeft daartoe weliswaar aangevoerd dat hij schulden heeft maar heeft verzuimd inzichtelijk te maken in welke mate hij daarop daadwerkelijk afbetaalt en of dit betekent dat hij niet langer kan voorzien in zijn noodzakelijke kosten van het bestaan of dat hij van zijn inkomen minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. De rechtbank zal daarom aan zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets voorbijgaan.
Uit het voorgaande volgt dat de man een minimumdraagkracht heeft van € 50 voor drie kinderen. Een berekening conform de draagkrachtformule hoeft dan niet te worden gemaakt. Een draagkrachtvergelijking zoals de man voorstaat is niet aan de orde, nu beide partijen een inkomen hebben onder bijstandsniveau. De man betaalt reeds € 50 voor de kinderen, zodat zijn verzoek tot wijziging zal worden afgewezen.

6.Beslissing

De rechtbank:
Wijst af het verzoek van de man.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.