Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procesverloop
.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een bestuursrechtelijke hoofdzaak, omdat de rechter het verzoek tot aanhouding van de zaak had afgewezen. Verzoeker meende dat deze afwijzing duidde op vooringenomenheid van de rechter.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van de subjectieve en objectieve toets zoals neergelegd in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De subjectieve toets vereist dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, wat niet het geval was. De objectieve toets richt zich op de vraag of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer overwoog dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding een procesbeslissing betreft die in beginsel geen grond voor wraking vormt. Alleen indien de procesbeslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat dit wijst op vooringenomenheid, kan wraking worden toegewezen. Dit was hier niet het geval; de beslissing was begrijpelijk en deugdelijk gemotiveerd.
De wrakingskamer concludeerde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding geven om aan te nemen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen vanwege het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.