Verzoeksters hebben de wraking van twee rechters gevraagd omdat zij meenden dat deze rechters eerder onjuist en vooringenomen hebben geoordeeld in aan hen gelieerde zaken. Zij baseerden hun verzoek onder meer op nieuwe informatie van de Zwitserse belastingdienst die volgens hen het eerdere oordeel over het UBO-schap van een betrokkene tegenspreekt.
De rechters hebben het wrakingsverzoek bestreden en benadrukten dat het wrakingsinstrument niet bedoeld is om onwelgevallige uitspraken aan te vechten. De wrakingskamer heeft het verzoek op 23 november 2016 behandeld en geoordeeld dat het enkele feit dat rechters eerder in gelieerde zaken uitspraak hebben gedaan geen grond is voor wraking.
De wrakingskamer heeft de subjectieve en objectieve toets van onpartijdigheid toegepast en geconcludeerd dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of schijn van partijdigheid. Ook de nieuwe informatie van de Zwitserse belastingdienst leidt niet tot een ander oordeel.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeksters het wrakingsrecht misbruiken door herhaaldelijk verzoeken in te dienen die leiden tot onnodige vertraging van de procedure. Daarom wordt bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
De wrakingskamer wijst het verzoek af, beveelt voortzetting van de hoofdprocedure en sluit rechtsmiddelen tegen deze beslissing uit.