ECLI:NL:RBNHO:2015:2534

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
26 maart 2015
Zaaknummer
C/15/219820/HA RK 14/93
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wetboek van RechtsvorderingArt. 365 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens niet-tijdige indiening

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die de mondelinge behandeling van 21 november 2014 leidde. Hij stelde dat de kantonrechter vooringenomen en partijdig was, onderbouwd met 34 punten van vermeend onbehoorlijk gedrag tijdens de zitting.

Het wrakingsverzoek werd ingediend op 15 december 2014, ruim na de zitting. De rechtbank oordeelde dat een wrakingsverzoek dat gebaseerd is op gedragingen tijdens een zitting terstond of kort na die zitting moet worden ingediend. Verzoeker gaf aan dat hij door stress en onervarenheid niet eerder bekend was met alle feiten en dat een YouTube-filmpje hem pas later bewust maakte van zijn rechten.

De rechtbank vond deze argumenten onvoldoende om de late indiening te rechtvaardigen. Verzoeker was immers aanwezig bij de zitting en bijgestaan door een advocaat, waardoor hij zijn wrakingsverzoek tijdig had moeten indienen. Daarom werd hij niet-ontvankelijk verklaard en werd het geding voortgezet in de stand van zaken ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer: C/15/219820/HA RK 14/93
Beslissing van 24 maart 2015
op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verzoeker]
Het verzoek betreft:
mr. T.S. Pieters,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.Procesverloop

1.1
Op 21 november 2014 is een comparitie van partijen gehouden in de dagvaardings-procedure van [wederpartij] – hierna te noemen: [wederpartij] – tegen [verzoeker]. De kantonrechter heeft na het sluiten van de behandeling ter terechtzitting bepaald dat op 24 december 2014 vonnis zal worden gewezen.
1.2
Bij brief van 15 december 2014 heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking van de kantonrechter ingediend.
1.3
De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.4
[verzoeker] heeft vervolgens schriftelijk op de reactie van de kantonrechter gereageerd. Tevens heeft hij de rechtbank onder meer verzocht om audio-opnamen te mogen maken van de behandeling ter zitting van de wrakingskamer.
1.5
De voorzitter van deze wrakingskamer heeft [verzoeker] toegestaan om audio-opnamen van de behandeling ter zitting te maken.
1.6
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 10 maart 2015. [verzoeker], de kantonrechter en [wederpartij], bijgestaan door haar gemachtigde mr. G. Kramer, zijn ter zitting verschenen.

2.Het standpunt van verzoeker

[verzoeker] legt, samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag dat de kantonrechter gedurende de zitting van 21 november 2014 blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en partijdigheid. [verzoeker] heeft zijn stelling onderbouwd met een uitgebreide beschrijving van uitlatingen en beslissingen van de kantonrechter ter zitting (34 punten), waaruit zijns inziens deze vooringenomenheid en partijdigheid blijken.

3.De beoordeling

3.1
Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan, mits de behandeling van de zaak nog niet is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak. Op grond van artikel 37, eerste lid, Wetboek van Rechtsvordering wordt het wrakingsverzoek gedaan “zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden”. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een wrakingsverzoek waarvan de grondslag is gelegen in hetgeen zich tijdens de zitting heeft voorgedaan, terstond of kort na de zitting dient te worden ingediend.
3.2
[verzoeker] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangegeven, dat hij na afloop van de zitting van 21 november 2014 door de stress van het bijwonen van die zitting en zijn onervarenheid nog niet volledig bekend was met alle feiten en omstandigheden. Een filmpje op YouTube over een terechtzitting waarbij een beroep op artikel 365 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) werd gedaan, vormde voor hem de directe aanleiding om de audio-opnamen, die hij zonder toestemming van de kantonrechter van de zitting van 21 november 2014 heeft gemaakt, kritisch te beluisteren. De dag nadat hij kennis had genomen van het filmpje heeft hij zijn verzoek ingediend.
3.3
De door [verzoeker] aangevoerde argumenten voor de late indiening van zijn verzoek zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de late indiening te rechtvaardigen. Uit hetgeen [verzoeker] ter toelichting op de zitting van 10 maart 2015 heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat de feiten en omstandigheden waarop [verzoeker] zijn wrakingsverzoek heeft gebaseerd, alle zijn gelegen in hetgeen zich tijdens de mondelinge behandeling van 21 november 2014 heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] door het zien van een filmpje erop attent is gemaakt dat hij in bepaalde omstandigheden een beroep kan doen op artikel 365 Sr Pro, maakt nog niet dat [verzoeker] de meeste door hem aan de kantonrechter verweten gedragingen niet eerder aan de orde had kunnen stellen. [verzoeker] was immers zelf bij de mondelinge behandeling aanwezig, bijgestaan door een advocaat. Het had derhalve op de weg van [verzoeker] gelegen zijn wrakingverzoek op, of korte tijd na 21 november 2014 in te dienen. Het verzoek is echter niet eerder gedaan dan 15 december 2014.
3.4
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het verzoek om wraking niet tijdig is gedaan, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek moet worden verklaard.

4.Beslissing

De rechtbank:
4.1
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. T.S. Pieters;
4.2
beveelt de griffier onverwijld aan [verzoeker], de kantonrechter en [wederpartij] een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
4.3
beveelt dat het geding in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter,
mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. A. van Dongen, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2015 in tegenwoordigheid van mr. W.G. van Gastelen als griffier.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.