Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 december 2015 in de zaak tussen
[X] , gevestigd te [Z] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil4. Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de teruggaaf rekening moet worden gehouden met de correctieberichten die eiseres in januari 2014 heeft ingediend over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Eiseres beantwoordt deze vraag in bevestigende zin en stelt zich op het standpunt dat de teruggaaf moet worden gesteld op een bedrag van 28,82% van € 373.977, derhalve € 107.780. Verweerder daarentegen stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de teruggaaf terecht geen rekening is gehouden met de correctieberichten.
medewordt beoogd zogenoemd anticipatiegedrag te voorkomen, maar uit die opmerking kan geenszins worden afgeleid dat die peildatum kan worden veronachtzaamd in gevallen waarin van anticipatiegedrag geen sprake is. Voor zover het standpunt van eiseres op een andere opvatting berust, moet het derhalve worden verworpen.
Della Ciaja en anderen tegen Italië, no. 46757/99, BNB 2002/398, en EHRM 29 april 2008,
Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006,
Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008,
Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (“
manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011,
Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452/02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).
Capital Bank AD tegen Bulgarije, paragraaf 134, en EHRM 14 mei 2013, no. 66529/11,
N.K.M. tegen Hongarije, FED 2013/79, paragraaf 47). De wetgever heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen om ter bepaling van de hoogte van de eenmalige teruggaaf alleen correctieberichten tot en met 30 september 2013 in aanmerking te nemen. De wetgever heeft de hem in dit verband toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden.