ECLI:NL:RBNHO:2015:11424

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
22 december 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5089
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan belanghebbende bij omgevingsvergunning

Verweerder heeft aan een derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een researchcentrum na het slopen van een bestaand bedrijfspand. Verzoeker, wonende op aanzienlijke afstand van de locatie, maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 22 december 2015 werd vastgesteld dat verzoekers woning en schuur meer dan 350 meter van de bouwlocatie liggen, en dat er geen direct zicht is op de nieuwbouw vanaf het bebouwde erf. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere omwonenden en dat het belang onvoldoende rechtsreeks bij het besluit betrokken is.

Verzoekers argument dat hij als voormalig gemeenteraadslid een groter belang heeft, werd niet gevolgd. De voorzieningenrechter benadrukte dat een subjectief gevoel van betrokkenheid niet volstaat om als belanghebbende te worden aangemerkt.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar van verzoeker naar verwachting niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/5089

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van22 december 2015 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk, verweerder
.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
De Groot & Slot Allium B.V., te Broek op Langedijk, gemachtigde: mr. P.G. Wemmers.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan De Groot en Slot Allium Beheer B.V. omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een research centrum na het slopen van het bestaande bedrijfspand op de locatie [adres 1] .
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden O.H. Stom en W.J. Oude Lohuis. Namens derde-partij zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.
3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De woning en de schuur van verzoeker staan op meer dan 350 meter afstand van de plaats waar de nieuwe bebouwing plaats zal vinden en ook vanaf de dichtstbijzijnde hoek van het perceel landbouwgrond van verzoeker bedraagt de afstand tot de op te richten bebouwing 285 meter. Verder is er vanaf het bebouwde deel van verzoekers erf geen direct zicht op de nieuw te bouwen gebouwen omdat deze door de bebouwing op het perceel [adres 2] aan het zicht worden onttrokken. Alleen vanaf de openbare weg, gelegen op ongeveer 75 meter afstand van de zijkant van het perceel landbouwgrond van verzoeker, is langs de beplanting op het perceel aan de [adres 2] sprake van een rechtstreeks zicht op de beoogde bebouwing. Daarmee onderscheidt verzoeker zich echter onvoldoende van anderen.
4. Derde-partij heeft ter zitting betoogd dat verzoeker niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat het perceel van verzoeker niet grenst aan dat van derde-partij en verzoeker ook niet op het naastgelegen perceel woonachtig is. De afstand van de woning tot de beoogde bebouwing bedraagt meer dan 300 meter en er is vanuit de woning geen direct zicht op de op te richten bebouwing. Weliswaar bestaat vanaf de hoek van het agrarisch perceel van verzoeker beperkt zicht op de nieuwbouw, maar verzoeker is, gelet op de beperkte ruimtelijke uitstraling van het beoogde bouwwerk, niet aan te merken al belanghebbende. Daartoe is van belang dat het beoogde bouwwerk een reeds bestaand en nu ook al vanaf die locatie beperkt zichtbaar bouwwerk vervangt en het beoogde bouwwerk gelijk het reeds bestaande bouwwerk deels verscholen ligt achter de kassen. Verder is van belang dat het beoogde bouwwerk ook niet veel hoger is dan de huidige bebouwing en dat de aanwezige boomsingel gehandhaafd blijft en ook wordt aangevuld.
5. Verzoeker heeft de feitelijke situatie zoals die door verweerder en de derde partij zijn geschetst niet bestreden. Verzoeker heeft aangevoerd dat het om een groter belang gaat, namelijk de zekerheden voor burgers die vastgelegd zijn in een bestemmingsplan en slechts kunnen worden gewijzigd in samenspraak met de gemeenteraad. Verzoeker heeft zich als voormalig lid van de gemeenteraad aangesproken gevoeld en heeft zijn bezwaren tegen het verlenen van de in het geding zijnde omgevingsvergunning daarom kenbaar willen maken.
6. Onder verwijzing naar hetgeen door verweerder en derde-partij is aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet als belanghebbende bij het besluit van 20 oktober 2015 kan worden aangemerkt. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een besluit is niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtsreeks bij een besluit betrokken belang.
7. Omdat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter het door verzoeker gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk zal moeten verklaren, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.