De zaak betreft een geschil tussen twee broers die gezamenlijk een maatschap exploiteerden in melkveehouderij en mestvergisterij. De rechtbank bevestigde de ontbinding van de maatschap per 1 januari 2013 en behandelde de wijze van verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.
Partijen waren het eens dat een splitsing van de onderneming in veehouderij en vergisterij ongewenst en vergunningstechnisch problematisch is. De onderneming moest daarom aan één van de broers worden toegedeeld, met vergoeding van overwaarde aan de ander. De rechtbank oordeelde dat de onderneming het beste kon worden voortgezet door [gedaagde 1], mede vanwege de arbeidsongeschiktheid van [eiser].
De rechtbank bepaalde dat de stille reserve per 1 januari 2013 € 2.129.434,-- bedroeg, waaruit een uitkoopsom van € 1.178.468,-- aan [eiser] volgt. De resultaten van de veehouderij komen vanaf die datum toe aan [eiser] en die van de vergisterij aan [gedaagde 1]. De privéwoning van [eiser] moet worden overgenomen door [gedaagde 1] tegen een waarde die in onderling overleg of via bindende taxatie wordt vastgesteld. De windmolen blijft buiten de verdeling. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.