Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
[verdachte] uit Landsmeer zit in de wiethandel. (…) Onder andere de broers [broer 1] en [broer 2] brengen wekelijks meerdere kilo’s wiet naar [verdachte].Met [verdachte] wordt verdachte bedoeld. Met [broer 2] en [broer 1] worden [broer 1] en [broer 2] bedoeld.’ De [broers] hebben beiden antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Ook blijkt dat verdachte een camerabewakingssysteem bij zijn woning heeft. Verdachte heeft vermoedelijk ongeveer 222.400 euro uitgegeven aan zijn woning en voertuigen in de periode van 18 april 2009 tot 29 maart 2013.
freelancein de beveiligingsbranche te werken als persoonsbeveiliger, waaronder in oorlogslanden. Van 2002 tot 2006 heeft verdachte voor het ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt. Het inkomen dat verdachte met deze werkzaamheden verwierf betreft legale inkomsten, die contant aan verdachte werden uitbetaald. Inherent aan de inhoud van zijn werk was dat deze inkomsten moesten geheim blijven. Deze inkomsten zijn daarom niet opgegeven aan de belastingdienst. De betreffende voorwerpen zijn met legaal door hem, verdachte, verdiend geld bekostigd, aldus verdachte.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sancties
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;