Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
De rechtbank concludeert dat in deze zaak een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden bij de verkrijging van bedoeld bewijsmiddel.
Een viertal jaren later doet[slachtoffer 2] aangifte en verklaart dat destijds wel degelijk sprake is geweest van seksueel misbruik. Hoewel de rechtbank de verklaring van[slachtoffer 2], mede in samenhang met genoemde mutatie, in essentie niet onbetrouwbaar acht, vindt deze verklaring waar het de ten laste gelegde gedragingen betreft enkel steun in de destijds bestaande vermoedens die toen geen vervolg konden krijgen.
De verklaring van getuige[getuige 5], inhoudende dat[slachtoffer 2] hem in geëmotioneerde toestand over het misbruik heeft verteld, acht de rechtbank in combinatie met de verklaringen van aangeefster onvoldoende steunbewijs.
Bij gebrek aan voldoende bewijs zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.