ECLI:NL:RBNHO:2014:9443
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot tussentijdse beëindiging van schuldsanering wegens onvoldoende bewijs van verwijtbaar handelen
De rechtbank Noord-Holland behandelde het verzoek van de schuldeiser om de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar tussentijds te beëindigen. De schuldeiser stelde dat de schuldenaar zijn bedrijf zonder economische reden had beëindigd en onvoldoende openheid van zaken gaf over zijn financiële situatie, waardoor hij zijn alimentatieverplichtingen niet nakwam en een aanzienlijke schuld had opgebouwd.
De schuldenaar betwistte dit en gaf aan dat de alimentatieschuld bij toelating tot de regeling bekend was en dat hij niet moedwillig zijn verplichtingen had verzaakt. De rechtbank overwoog dat hoewel de schuldenaar mogelijk niet volledig te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van een deel van de schuld, dit niet automatisch tot beëindiging van de regeling leidt. Er was sprake van een discretionaire bevoegdheid en de schuldenaar had inmiddels een positieve wending laten zien.
De rechtbank concludeerde dat de schuldenaar zijn schuldensituatie volledig had toegelicht aan de bewindvoerder en zich inspande om aan zijn verplichtingen te voldoen. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.