Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2014:8244

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juli 2014
Publicatiedatum
28 augustus 2014
Zaaknummer
C/15/203028 / FA RK 13-1599
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator bij ernstig verstoorde ouderrelatie en omgangsregeling

De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak over een ernstig verstoorde relatie tussen ouders waarbij het contact tussen de moeder en de minderjarige kinderen vrijwel tot stilstand was gekomen sinds 2013. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de moeder het recht op omgang met de kinderen voor een jaar te ontzeggen. De vader woont sinds 2013 met de kinderen en wil geen contact met de moeder, maar is bereid mee te werken aan een ouderschapsonderzoek onder voorwaarden.

De moeder stelde voor een forensische mediator in te schakelen en een bijzondere curator te benoemen die met de kinderen kan spreken. De rechtbank gaf de voorkeur aan het benoemen van een bijzondere curator als neutrale belangenbehartiger van de kinderen, conform artikel 1:250 BW Pro, boven een ouderschapsonderzoek.

De bijzondere curator krijgt de opdracht te onderzoeken of het wenselijk en in het belang van de kinderen is het contact met de moeder te herstellen, de oorzaak van de negatieve gevoelens van de kinderen te achterhalen en advies uit te brengen over een mogelijke omgangsregeling en benodigde hulpverlening. De behandeling wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de bijzondere curator, met een rapportagetermijn tot uiterlijk 27 augustus 2014.

Uitkomst: Rechtbank benoemt bijzondere curator en houdt verdere beslissingen aan in afwachting van rapport over omgangsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
omgang
zaak-/rekestnr.: C/15/203028 / FA RK 13-1599
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 2 juli 2014
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.D. Wisman, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat aanvankelijk mr. P.J. van de Pol, kantoorhoudende te Haarlem,
thans mr. J.C. Herweijer, kantoorhoudende te Rijswijk.

1.Procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 16 oktober 2013 en de daarin vermelde stukken;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 februari 2014;
- de brief van de advocaat van de vader van 5 maart 2014;
- de brief, met bijlage, van de advocaat van de moeder van 7 maart 2014;
- de brief, tevens aanvullend verzoek, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 2 juni 2014;
- de brief met bijlage, van de advocaat van de vader, van 2 juni 2014;
- de brief, met bijlage van de advocaat van de moeder, van 2 en 4 juni 2014.
1.2
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2014 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. M.D. Wisman en de moeder door mr. J.C. Herweijer. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is [medewerker] aanwezig.

2.Verdere beoordeling

2.1
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 28 februari 2014 een rapport en advies uitgebracht. Daarin is ter zake van de contactregeling geadviseerd de moeder het recht op omgang met de kinderen gedurende een periode van een jaar te ontzeggen. Ten aanzien van het verzoek van de vader te worden belast met het eenhoofdig gezag, wordt geadviseerd dit af te wijzen.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 2 juni 2014 verzocht om, wanneer de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastlegt, aan deze regeling een dwangsom te verbinden van € 1.000 per keer.
2.2
Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij direct voorafgaand aan de zitting de vader een voorstel heeft gedaan een forensische mediator te benoemen om een ouderschapsonderzoek te doen plaatsvinden. Voorts heeft zij zich akkoord verklaard zonodig een (andere) bijzonder curator te benoemen die afzonderlijk met de minderjarigen kan praten.
De moeder heeft als voorwaarde voor een ouderschapsonderzoek gesteld dat de vader gedurende dit onderzoek geen (kinder)alimentatieprocedure bij de rechtbank zal beginnen.
2.3
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij in beginsel geen enkele behoefte heeft aan gesprekken met de moeder, maar dat hij wel bereid is om in het belang van de minderjarigen aan een ouderschapsonderzoek mee te werken. Tegelijkertijd benadrukt de vader dat het hem er om gaat dat ook de minderjarigen de ruimte krijgen om hun standpunt kenbaar te maken. De vader heeft voorts naar voren gebracht dat hij slechts bereid is aan het ouderschapsonderzoek mee te werken indien hij:
- geen extra kosten heeft;
- er geen gedwongen en/of onverwachte contacten tussen de moeder en de minderjarigen plaatsvinden;
- de moeder ophoudt met (publiekelijk) beschuldigingen aan zijn adres te richten.
2.4
De Raad heeft zich ter zitting geconformeerd aan het voorstel van partijen een ouderschapsonderzoek uit te voeren en, al dan niet tegelijkertijd, een bijzondere curator te benoemen om een zo groot mogelijk draagvlak te creëren bij de ouders om het contact tussen de moeder en de minderjarigen te herstellen.
2.5
De rechtbank overweegt dat de kinderen na het uiteengaan van partijen in 2008 tot 2013 bij de moeder hebben gewoond. Vanaf 15 maart 2013 wonen de kinderen bij de vader en is het contact met de moeder vrijwel tot stilstand gekomen.
Uit hetgeen door alle betrokkenen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat het contact tussen beide ouders nog steeds zeer ernstig is verstoord en zij over en weer naar elkaar wijzen als degene die contactherstel tussen de moeder en de kinderen belemmert. In het verleden zijn verschillende pogingen gedaan partijen door middel van mediation tot elkaar te laten komen. Dit is steeds mislukt. Ook overige hulpverlening, zoals door Bureau Jeugdzorg, is steeds op niets uitgelopen.
Beide ouders zijn het slechts over een ding eens. Beiden willen dat de minderjarigen in de gelegenheid gesteld worden zich zonder enige belemmering uit te spreken over (herstel van) het contact met hun moeder.
2.6
Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat gezien de leeftijd en de houding van de kinderen tot nog toe, en de mate waarin zij door het ouderconflict belast zijn geraakt, allereerst zij nader bevraagd dienen te worden over hun wensen en ideeën over een mogelijke oplossing.
Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan het ter zitting gedane voorstel tot het gelasten van een ouderschapsonderzoek, nu naar haar oordeel op de voet van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek, het benoemen van (alleen) een bijzonder curator als neutrale belangenbehartiger van de kinderen, op dit moment de voorkeur verdient. Daarbij zal wel het voorstel van partijen worden gevolgd wat betreft de persoon van de bijzonder curator.
2.7
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator te onderzoeken of de door de kinderen geuite wens het contact met de moeder gestaakt te houden, daadwerkelijk in hun belang is, of dat het contact tussen de kinderen en hun moeder weer tot stand kan worden gebracht.
In dit verband wordt de bijzondere curator verzocht aandacht te besteden aan de vraag wat de oorzaak is van de zeer negatieve gevoelens die de minderjarigen hebben ten opzichte van hun moeder en of deze gevoelens voortkomen uit een loyaliteitsconflict, dan wel dat daaraan een andere reden ten grondslag ligt.
Indien de bijzondere curator tot de conclusie komt dat het tot stand komen van een omgangsregeling in het belang van de minderjarigen is, wordt zij verzocht de rechtbank te adviseren over de vraag op welke wijze en met welke frequentie deze regeling tot stand gebracht zou kunnen worden. Voorts wil de rechtbank in dat geval graag voorgelicht worden over de vraag hoe dit contact weer opgebouwd kan worden.
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator ook te onderzoeken in hoeverre de minderjarigen last hebben van de conflicten tussen de ouders en of daarbij hulpverlening aan de minderjarigen en/of de ouders goed zou zijn en welke hulpverlening het beste bij de wensen van de kinderen aansluit. Daarbij verzoekt de rechtbank ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre de minderjarigen last hebben van mogelijke conflicten tussen de ouders in het kader van door hen te nemen gezagsbeslissingen en of uitoefening van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is.
Vanzelfsprekend staat het de bijzondere curator vrij om desgewenst de ouders te betrekken bij haar werkzaamheden en/of te bemiddelen tussen de minderjarigen en de ouders.
2.8
De rechtbank zal iedere verdere beslissing op de verzoeken aanhouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de bijzondere curator.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1
Benoemt tot bijzondere curator over de minderjarigen [naam]:
- [voornamen], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
- [voornamen], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
[bijzondere curator]
,
met het verzoek over de hiervoor onder 2.7 geformuleerde vragen te rapporteren en adviseren.
3.2
Houdt de behandeling aan tot 3 september 2014
pro forma.
3.3
Verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 27 augustus 2014 een rapport en advies aan de rechtbank toe te zenden.
3.4
Bepaalt dat de behandeling, na ontvangst van het rapport en advies, ter terechtzitting zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de bijzondere curator.
3.5
Houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.