Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 29 januari 2014;
- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2014.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.160,00(2 punten × tarief € 2.580,00)
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil tussen GAP (eiseres) en [gedaagde], bestuurder en aandeelhouder van verschillende vennootschappen, over de geldigheid van een dividendbesluit van Leyduin Vastgoed B.V. uit 2011. In dit besluit werd een lening van Leyduin aan [gedaagde] met terugwerkende kracht aangemerkt als dividenduitkering. GAP betwist de juistheid van de door [gedaagde] afgelegde derdenverklaring waarin hij verklaart niets aan Leyduin verschuldigd te zijn.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] geen aandeelhouder is van Leyduin en dat het dividendbesluit daarom in strijd is met artikel 2:216 lid 1 BW Pro (oud) en nietig is. Op grond van overgangsrecht is deze bepaling van toepassing gebleven. Hierdoor blijft de lening van circa €3.064.750,- aan Leyduin op [gedaagde] bestaan.
De vordering van GAP tot betaling van de bedragen die Leyduin aan GAP verschuldigd is, wordt toegewezen. De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van een nieuwe derdenverklaring af omdat GAP geen belang meer heeft bij een correcte verklaring. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van €946.645,10 vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de lening wordt toegewezen en de derdenverklaring van [gedaagde] is onjuist.