ECLI:NL:RBNHO:2014:4272

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 april 2014
Publicatiedatum
13 mei 2014
Zaaknummer
15/820037-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke invoer van 600 gram cocaïne te Schiphol

De rechtbank Noord-Holland heeft op 17 april 2014 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 13 januari 2014 te Schiphol 600 gram cocaïne opzettelijk binnen het Nederlandse grondgebied heeft gebracht. De dagvaarding was geldig en de rechtbank was bevoegd. Het openbaar ministerie was ontvankelijk in zijn vervolging.

Het bewijs bestond uit de bekennende verklaring van verdachte, proces-verbalen van aanhouding en onderzoek, en een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte de invoer heeft gepleegd. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van negen maanden, rekening houdend met de tijd in voorarrest. De verdediging vroeg om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden en druk, en pleitte voor een zo kort mogelijke straf, eventueel deels voorwaardelijk met reclasseringscontact.

De rechtbank oordeelde dat de ernst van het feit en de recidive zwaar wogen. Verdachte was in 2012 al veroordeeld voor een soortgelijk feit en had reclasseringstoezicht gehad, maar had kort daarna opnieuw een strafbaar feit gepleegd. Daarom werd geen voorwaardelijke straf opgelegd. De rechtbank veroordeelde verdachte tot negen maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens opzettelijke invoer van 600 gram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Schiphol
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/820037-14
Uitspraakdatum: 17 april 2014
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
4 april 2014 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Dolfing en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.M.G. Wolffs, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2. Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 13 januari 2014, dossierparagraaf 1.1;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 14 januari 2014 dossierparagraaf 1.1.4;
- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 februari 2014, zaaknummer 2014.01.15.036 (aanvraag 001), los opgenomen in het strafdossier.
3.3. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 13 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2. Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de door hem ervaren druk. De raadsvrouw heeft gepleit voor een zo kort mogelijke gevangenisstraf met eventueel een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact.
6.3. Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 600 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte, blijkens zijn documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Verdachte is in 2012 voor een soortgelijk feit veroordeeld en heeft daarbij in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling reclasseringstoezicht opgelegd gekregen. Dit heeft hem echter niet weerhouden om – vlak na het eindigen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling – wederom een dergelijk strafbaar feit te plegen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen, teneinde daaraan als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht te verbinden.
Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om af te wijken van de straf zoals die in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Gruijters, voorzitter,
mr. E.C. Smits en mr. J.J.M. Uitermark, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2014.
Mr. E.C. Smits is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.