Uitspraak
22 april 2014 in de zaak tegen:
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer van circa 1.967 gram cocaïne op Schiphol op 28 juni 2013. Verdachte werkte als laad- en losmedewerker bij KLM en werd beschuldigd van het medeplegen van de invoer en van voorbereidingshandelingen gericht op deze invoer.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het medeplegen van de daadwerkelijke invoer, omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte nauw en bewust samenwerkte met zijn medeverdachte bij het plegen van het feit. Wel werd vastgesteld dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan medeplegen van voorbereidingshandelingen in de periode van 21 juni tot en met 1 juli 2013. Dit bleek uit telefonische contacten, sms-berichten en ontmoetingen waarbij informatie werd uitgewisseld over het vliegtuig, de locatie van de cocaïne en het plannen van het onderscheppen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte met opzet handelde en zijn functie bij KLM misbruikte om de invoer van cocaïne voor te bereiden. Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de zorg voor een arbeidsongeschikte partner, legde de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden op, waarvan de uitvoering werd geschorst met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur.
De straf weerspiegelt de ernst van het voorbereiden van drugssmokkel via Schiphol en het vertrouwen dat verdachte als werknemer van KLM had geschonden. De vrijspraak voor het medeplegen van invoer werd bevestigd omdat het bewijs daarvoor onvoldoende was.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen invoer cocaïne, veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en 240 uur taakstraf voor medeplegen voorbereidingshandelingen.