Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2014 in het geding tussen
de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, verweerder.
Feiten
54558.2
19.231
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, werkzaam als taxichauffeur en vennoot van een VOF, ontving een naheffingsaanslag BPM en een boete vanwege onvoldoende bewijs dat zijn auto voor ten minste 90% voor taxivervoer werd gebruikt. De auto was eerder met toepassing van artikel 16 Wet Pro BPM teruggaaf verleend op grond van het beoogde gebruik voor taxivervoer.
Tijdens een boekenonderzoek en controle door de Belastingdienst werden diverse onregelmatigheden vastgesteld in de kilometeradministratie. Zo waren taxameterstanden inconsistent, ontbraken ritten in de administratie en waren er meerdere situaties waarin de auto op locaties werd gesignaleerd die niet overeenkwamen met de rittenstaat. De administratie bleek ondeugdelijk en onbetrouwbaar, mede doordat alleen bezette ritten werden geregistreerd en onbeladen kilometers niet inzichtelijk waren.
Eiser stelde dat hij een goede administratie voerde en slechts enkele vergissingen had gemaakt, maar de rechtbank vond de verschillen te groot om dit aannemelijk te achten. Ook bleek uit taxameterdata dat bijna 60% van de kilometers onbezet was gereden, wat het standpunt van eiser ondermijnde.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan zijn bewijslast en dat de naheffingsaanslag en boete terecht waren opgelegd. De boete werd passend geacht vanwege de voorwaardelijke schuld van eiser door het niet voeren van een voldoende inzichtelijke administratie ondanks kennis van de fiscale verplichtingen.
De rechtbank wees het beroep af en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De naheffingsaanslag en boete zijn terecht opgelegd omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto voor ten minste 90% voor taxivervoer is gebruikt.