Passagiers vorderden compensatie van Corendon Dutch Airlines wegens een vertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Amsterdam naar Tunesië op 11 september 2012. Zij baseerden hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004 en het Sturgeon-arrest, stellende dat zij recht hadden op € 400 per persoon.
Corendon verweerde zich door te stellen dat de vertraging werd veroorzaakt door een blikseminslag op het toestel, een buitengewone omstandigheid waarop zij geen invloed had en die ondanks alle redelijke maatregelen niet voorkomen kon worden. De kantonrechter overwoog dat blikseminslag een onverwacht vliegveiligheidsprobleem is, zoals omschreven in het Europese Hof van Justitie-arrest Wallentin-Hermann.
De rechtbank concludeerde dat Corendon voldoende had aangetoond dat de vertraging niet te vermijden was en dat er geen sprake was van onvoldoende reservetijd. Daarom werd de vordering afgewezen en werden de passagiers veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
De uitspraak bevestigt dat luchtvaartmaatschappijen niet hoeven te compenseren bij vertragingen veroorzaakt door buitengewone omstandigheden zoals blikseminslag, mits zij aantonen dat zij alle redelijke maatregelen hebben getroffen.