ECLI:NL:RBNHO:2014:11318

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 november 2014
Publicatiedatum
1 december 2014
Zaaknummer
C/14/158460 / HA RK 14/157
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 2 RvArt. 162 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter wegens vermeende onpartijdigheid kennelijk niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft op 20 november 2014 mondeling een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter in een lopende zaak bij de rechtbank Alkmaar. Het verzoek richtte zich op vermeende onpartijdigheid van de rechter, mede gebaseerd op het niet toepassen van artikel 162 van Pro het Wetboek van Strafvordering en de volgorde van behandeling van zaken.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij geldt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat een wrakingsverzoek gemotiveerd moet zijn met feiten en omstandigheden die een vermoeden van partijdigheid rechtvaardigen.

Verzoeker heeft echter geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de rechter aantonen. Het standpunt over de toepassing van artikel 162 Sv Pro is onvoldoende als motivering voor wraking. Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en buiten behandeling gesteld.

De wrakingskamer heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek vastgesteld en heeft bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was voor het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en buiten behandeling gesteld wegens gebrek aan motivering.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/14/158460 / HA RK 14/157
zaaknummer kanton: 3339568 CV EXPL 14-4942
Beslissing van 25 november 2014
op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M.C. van Rijn, kantonrechter,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft op 20 november 2014 ter zitting mondeling de wraking verzocht van de rechter in deze rechtbank, locatie Alkmaar, sectie Kanton, in de zaak met bovenvermeld zaaknummer, hierna te noemen: de hoofdzaak, waarin verzoeker de gedaagde partij is.
1.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking en heeft het door haar griffier in het proces-verbaal weergegeven verzoek in handen gesteld van de griffier van de wrakingskamer.
1.3.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2.Het standpunt van verzoeker

Het proces-verbaal van het verzoek om wraking vermeldt – onder meer – het volgende:
“Ik wraak de hele rechtbank, althans de rechters die ervoor gezorgd hebben dat deze zaak niet zo liep als had gemoeten. Het belangrijkste aspect daarbij is dat niet ingevolge artikel 162 Strafvordering Pro aangifte is gedaan. Bovendien is deze zaak en de zaak die mijn dochter morgen bij de bestuursrechter heeft ten onrechte niet als spoedeisend aangemerkt. Ook is de volgorde van behandeling van beide zaken onjuist.”
Verzoeker heeft bovendien voorafgaande aan de zitting bij de informatiebalie van de rechtbank een bericht achtergelaten, zijnde een schrijven aan de Nederlandse media. In dat schrijven kondigt verzoeker het volgende aan:
“Op 20 november 2014 zal om 13.00 uur in de rechtbank van Alkmaar voor het eerst een verklaring worden gevraagd aan de rechters of hij/zij boven de wet stellen, dan wel dat hij/zij net als alle andere Nederlanders de wettelijke plicht volbrengt om als kennisdrager van strafbare feiten, die gepleegd zijn door een beëdigde functionaris, deze wetsovertreder aan te geven bij het Openbaar Ministerie.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv.) kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.
Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is.
3.2.
Een verzoek tot wraking dient ingevolge artikel 37 lid 2 Rv Pro. gemotiveerd te zijn. De verzoekende partij dient opgave te doen van de feiten en omstandigheden die het vermoeden wettigen dat de rechter bij de behandeling van de zaak niet onpartijdig of niet onafhankelijk zal zijn.
Verzoeker heeft echter helemaal niets over (on)partijdigheid of onafhankelijkheid van de gewraakte gezegd. Wat er ook zij van het standpunt dat rechters artikel 162 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet toepassen, het is geen motivering van de wraking van
dezerechter.
Aangezien het verzoek niet gemotiveerd is, is het daardoor kennelijk niet-ontvankelijk.
3.3.
Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9.1. in samenhang met paragraaf 4.1. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank – op internet te vinden op de website van deze rechtbank onder: www.rechtspraak.nl/ Organisatie/ Rechtbanken/ Rechtbank Noord-Holland/ Regels en procedures – zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling stellen.

4.Beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk en stelt het verzoek tot wraking buiten behandeling;
4.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de eisende partij in bovenvermelde procedure een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
4.3.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team kanton, locatie Alkmaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.F. van Hoorn, plaatsvervangend voorzitter, en mr. L.J. Saarloos en mr. M.S. Lamboo, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. W.T. Delleman, griffier, ter openbare terechtzitting van
25 november 2014.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.