De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd vervolgd voor drie overtredingen van een collectief horecaverbod in Purmerend. Het verbod was opgelegd na vermeend wangedrag in een horecagelegenheid en gold voor meerdere horecagelegenheden die deelnamen aan een protocol. De officier van justitie stelde dat het verbod rechtmatig was en dat verdachte zich hieraan had moeten houden.
De rechtbank stelde vast dat het verbod onvoldoende concreet was: het dossier bevatte geen duidelijke omschrijving van het wangedrag, noch informatie over wie het verbod had opgelegd of op basis waarvan. Ook was onduidelijk welke horecagelegenheden precies onder het verbod vielen, en was de klachtenprocedure voor bezwaar onduidelijk en mogelijk niet onafhankelijk.
Gelet op de aard van het verbod, dat punitief van karakter was en een forse inbreuk maakte op de bewegingsvrijheid van verdachte, oordeelde de rechtbank dat verdachte onvoldoende rechtsbescherming had genoten. Dit vormverzuim leidde tot schending van het recht op een eerlijke procesorde. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Daarnaast wees de rechtbank een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf af, omdat de vervolging niet ontvankelijk was. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer op 20 november 2014 in Alkmaar.